ECLI:NL:GHARL:2020:3525

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
1 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.216.219/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens twijfel aan bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor parkeren op een invalidenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig te gebruiken. De gemachtigde voerde aan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) die de sanctie oplegde, niet bevoegd was omdat deze was beëdigd voor een ander domein dan het verkeersdomein. Het hof constateerde dat uit de beëdigingsakte niet bleek dat de boa bevoegd was voor het domein openbare ruimte, wat twijfel opriep over zijn bevoegdheid.

De advocaat-generaal had deze twijfel kunnen wegnemen door nadere informatie te verstrekken, maar deed dit niet. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de sanctiebeschikking. Tevens werd het bedrag dat als zekerheid was gesteld aan de betrokkene gerestitueerd.

Verder stelde de gemachtigde dat de betrokkene onterecht niet werd gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof bevestigde dat de redelijke termijn was overschreden en dat artikel 6 EVRM Pro was geschonden, maar vond dat bij een sanctie onder € 1.000,- geen compensatie toekwam. De proceskosten werden aan de betrokkene toegewezen.

Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken te Leeuwarden op 1 mei 2020.

Uitkomst: De sanctiebeschikking is vernietigd wegens twijfel aan de bevoegdheid van de boa en het beroep van de betrokkene is gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.216.219/01
CJIB-nummer
: 170343971
Uitspraak d.d.
: 1 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 april 2017, betreffende

[betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 27 juni 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 5 augustus 2019 heeft het hof het proces-verbaal van de zitting van 6 april 2017 ontvangen van de griffier van de rechtbank. Uit de begeleidende brief blijkt dat een afschrift van het proces-verbaal ook naar de gemachtigde van de betrokkene en de CVOM is verzonden.
Een afschrift van het proces-verbaal is aan de advocaat-generaal gestuurd.

Beoordeling

1. Nu de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting van 6 april 2017 heeft toegestuurd, faalt de klacht van de gemachtigde van de betrokkene hierover.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “parkeren op invalidenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde invalidenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 maart 2013 om 15.48 uur op de Brusselseweg te Maastricht met het voertuig met het kenteken
[00-YYY-0] .
3. De gemachtigde voert onder meer aan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) niet bevoegd was tot het opleggen van de sanctie omdat deze was aangesteld in het domein Milieu en Welzijn en daarom geen opsporingsbevoegdheden had ten aanzien van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De gemachtigde heeft eerder in de procedure onder meer een afschrift van de akte van beëdiging van de boa van 29 september 2010 en een kopie van het legitimatiebewijs boa opgestuurd.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. Het hof vast dat in het zaakoverzicht - voor zover van belang - het volgende is opgenomen:
“Naam van ambtenaar 1: [B]
Eed/belofte ambtenaar 1: eed
Rangomschr. ambtenaar 1: boa domein openbare ruimte
Nummer akte van beëdiging: 6033902/0.”
6. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat [B] is beëdigd tot boa voor het domein Milieu en Welzijn en dat de opsporingsbevoegdheden op uiterlijk 29 september 2015 vervallen.
7. Het hof overweegt dat uit de akte van beëdiging niet blijkt dat de ambtenaar is beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar domein openbare ruimte. Niet gesteld of gebleken is dat de ambtenaar op een later moment alsnog is beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar voor dit domein. Hoewel de ambtenaar mogelijk ook als buitengewoon opsporingsambtenaar voor het domein Milieu, welzijn en infrastructuur als bedoeld in paragraaf 4.2.1 van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd zou zijn om een sanctie voor onderhavige gedraging op te leggen, roept het verschil tussen het domein in de beëdigingsakte en het zaakoverzicht wel vragen op over de bevoegdheid van de ambtenaar. De gemachtigde heeft gedurende de procedure het verweer consistent en onderbouwd gevoerd. De advocaat-generaal had de ontstane twijfel kunnen wegnemen door nadere informatie in het geding te brengen. Dat is echter niet gebeurd. Gelet op de fase van de procedure - mede in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal in de gelegenheid is gesteld tot het indienen van een verweerschrift - ziet het hof geen grond om de advocaat-generaal alsnog die gelegenheid te bieden. Het hof zal, gelet op de gerezen twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar tot oplegging van de sanctie, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en met gegrondverklaring van beroepen daartegen ook de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd.
8. De gemachtigde heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de betrokkene ten onrechte niet is gecompenseerd voor de lange duur van de procedure. Hij verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:HR:2017:292), waaruit zou blijken dat in zaken als deze een immateriële schadevergoeding behoort te worden toegekend indien sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting. Volgens de gemachtigde is de jurisprudentie van het hof op dit punt in strijd met die van de Hoge Raad en de Raad van State.
9. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.
10. De kennelijk aan een arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad ontleende opvatting van de gemachtigde dat het beoordelingskader van het hof ten aanzien van de redelijke termijn strijdig is met de jurisprudentie van de Hoge Raad, miskent dat het aangehaalde arrest niet een bestraffende sanctie betreft. In zaken met betrekking tot bestraffende sancties hanteert de Hoge Raad, evenals het hof en de Raad van State, voormelde uitgangspunten.
11. Het hof stelt vast dat in zowel in eerste aanleg als hoger beroep de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Zoals hiervoor is overwogen vormt dat op zichzelf geen aanleiding voor het toekennen van een compensatie, zoals door de gemachtigde is verzocht. Gelet op de hoogte van de sanctie zal het hof dan ook volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50, over te maken op rekeningnummer [00000] t.n.v. Meerts te Beegden.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.