Belanghebbende, eigenaar van een woning te [Z], maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde en aanslag onroerendezaakbelasting. Na een langdurige procedure met uitspraak van de Rechtbank en het Gerechtshof, stelde het Hof dat de redelijke termijn was overschreden maar weigerde immateriële schadevergoeding vanwege een te gering financieel belang.
De Hoge Raad corrigeert dit oordeel en stelt dat bij een financieel belang van maximaal € 15 wel degelijk sprake kan zijn van immateriële schade door de lange duur van de procedure. De overschrijding wordt vastgesteld op zeven maanden in de eerste aanleg en anderhalf jaar in hoger beroep.
De Hoge Raad wijst een vergoeding toe van in totaal € 2.500, waarvan € 571 toe te rekenen is aan de gemeente voor de bezwaarfase en € 1.929 aan de Staat voor beroeps- en hogerberoepsfase. Tevens worden griffierechten en proceskosten aan belanghebbende toegewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte beoordeling van het financiële belang bij overschrijding van de redelijke termijn en de toerekening van schadevergoeding aan de juiste bestuursorganen.