Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:3717

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
13 mei 2020
Zaaknummer
200.217.595
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 WPOArt. 150 RvArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over economisch claimrecht gemeente op schoolpercelen Ammerzoden en Velddriel

In deze civiele zaak stond het economisch claimrecht van de Gemeente Maasdriel op twee percelen, te weten Ammerzoden en Velddriel, centraal. De Gemeente stelde dat zij op grond van artikel 110 WPO Pro aanspraak kon maken op de percelen die door de Stichting Rooms Katholiek Onderwijs Bommelerwaard werden gebruikt voor schoolgebouwen.

Het hof nam het tussenarrest van november 2019 over, waarin was vastgesteld dat de Gemeente een economisch claimrecht had op het perceel te Ammerzoden, maar bewijs moest leveren over betalingen die zij zou hebben gedaan voor de locatie Velddriel. De Gemeente kon dit bewijs niet leveren, ondanks verzoek tot bewijslastomkering, die het hof afwees.

Het gevolg was dat het beroep van de Gemeente voor Velddriel werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Voor Ammerzoden werd het vonnis vernietigd en werd de Gemeente in het gelijk gesteld, met een veroordeling van de Stichting tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst en medewerking aan de levering van het perceel.

De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt toegewezen voor Ammerzoden en afgewezen voor Velddriel; de Stichting wordt veroordeeld tot nakoming en levering van perceel K3297.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.217.595
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 281760)
arrest van 12 mei 2020
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Maasdriel,
gevestigd te Kerkdriel,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. R.A.F. Willems,
tegen
de stichting
Stichting Rooms Katholiek Onderwijs Bommelerwaard,
gevestigd te Ammerzoden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: de Stichting,
advocaat: mr. G.J. Heussen.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2019 (hierna: het tussenarrest) hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte na tussenarrest van de Gemeente d.d. 3 december 2019;
- de antwoordakte naar aanleiding van het tussenarrest van de Stichting d.d. 14 januari 2020.
1.3
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1
In het tussenarrest heeft het hof wat betreft de locatie Ammerzoden overwogen dat de Gemeente een economisch claimrecht heeft op het volledige perceel K2851 (inmiddels gesplitst in K3297 en 3298). Wat betreft de locatie Velddriel heeft het de Gemeente in de gelegenheid gesteld tot het leveren van het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij de in de periode 1967 t/m 1971 door (de rechtsvoorgangster van) de Stichting in verband met de nieuwbouw dan wel uitbreiding van de scho(o)l(en) te Velddriel in de vorm van (de desbetreffende) grond betaalde waarborgsom, in geld aan haar heeft terugbetaald.
2.2
In haar akte na tussenarrest heeft de Gemeente het hof laten weten geen bewijsstukken meer te hebben aangetroffen en ook geen bewijs door middel van getuigen te kunnen leveren. Daarmee staat vast dat zij er niet in is geslaagd wat betreft de locatie Velddriel het hiervoor onder 2.1 omschreven bewijs te leveren.
2.3
De Gemeente heeft het hof verzocht de bewijslast om te keren omdat toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro in dit geval tot onbillijkheden zou leiden. Subsidiair stelt zij de constructie van het feitelijk vermoeden/verzwaarde motiveringslicht voor. De Gemeente wil het hof kennelijk op zijn bindende beslissing omtrent de bewijslastverdeling doen terugkomen.
2.4
In haar antwoordakte heeft de Stichting zich daartegen gemotiveerd verzet. Waar het voor haar zou gaan om het bewijs van een negatief feit zou een bewijsopdracht aan haar naar haar mening juist veel onbillijker zijn.
2.5
In de regel is de rechter die in een bepaalde aanleg een eindbeslissing geeft in een tussenuitspraak daaraan zelf gebonden tijdens het vervolg van die instantie. Het hof zal die regel volgen. In hetgeen door de Gemeente naar voren is gebracht, ziet het hof geen reden om af te wijken van de normale regels omtrent bewijslastverdeling. Concreet komt de bewijsopdracht erop neer dat de Gemeente moet bewijzen dat zij ter restitutie van de waarde van het door de Stichting als waarborgsom ingebrachte perceel M1446 betalingen heeft verricht aan de Stichting. Omdat de Gemeente stelt dat zij ten aanzien van dat perceel het economische claimrecht heeft en daarvoor nodig is dat deze betalingen komen vast te staan, rust op grond van art. 150 Rv Pro op haar de bewijslast van die betalingen. Het gaat om mogelijke betalingen in de jaren 60 of 70. De Gemeente mag in bewijsnood verkeren in het traceren van die betalingen, maar dat geldt minstens in gelijke mate voor de Stichting, die heeft aangevoerd ontvangst van dergelijke door de gemeente gestelde betalingen niet te hebben kunnen traceren. De bewijsnood van de Gemeente is daarom geen reden om de bewijslast om te draaien of om uit te gaan van een vermoeden ten gunste van de Gemeente. Dat gemeenten in die tijd ‘geen vrijheid [hadden] om de waarde van de grond niet aan het schoolbestuur te vergoeden’ , zoals Gedeputeerde Staten van Gelderland een keer hebben overwogen, is voor het hof te onbestemd en te weinig verifieerbaar om als basis te dienen voor een omkering van de bewijslast of vermoeden. De slotsom is daarom dat de Gemeente niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, dat daarom niet is komen vast te staan dat perceel M1446 destijds in eigendom toebehoorde aan de Gemeente of met overheidsgeld is bekostigd, zodat de Gemeente geen economisch claimrecht kan doen gelden op het perceel.
Dit betekent dat het hoger beroep van de Gemeente faalt wat betreft de locatie Velddriel.
Het vonnis van de rechtbank zal in zoverre worden bekrachtigd. Anders dan het hof in het tussenarrest bij kennelijke vergissing overwoog (vgl. rov. 5.10 van het tussenarrest (slot)) zal de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht wat betreft de locatie Velddriel als zodanig niet sneuvelen (het verbod van reformatio in peius, reeds vermeld in rechtsoverweging 5.2 van het tussenarrest), zij het dat de daaraan ten grondslag liggende argumenten door het hof in het tussenarrest ingevolge het hoger beroep van de Gemeente (grieven 1 en 2) zijn gewijzigd (zie rechtsoverweging 5.9 van het tussenarrest).
2.6
Wat betreft de locatie Ammerzoden heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat de Gemeente een economisch claimrecht heeft op het volledige perceel K2851 (inmiddels gesplitst in K3297 en 3298). Het hoger beroep slaagt derhalve wat betreft de locatie Ammerzoden. Voor die locatie zal het hof de (primaire) vorderingen van de Gemeente (petitum memorie van grieven sub a) en b)) dus alsnog toewijzen evenals de nakomingsvorderingen (petitum memorie van grieven onder e) en f)), behoudens de (notariële en kadastrale) kosten vallend op de goederenrechtelijke levering, waarvoor de Gemeente geen enkel motief heeft aangedragen. Voor deze locatie zal het hof het vonnis van de rechtbank voor de duidelijkheid vernietigen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna vermeld.
2.7
Nu partijen over en weer voor een deel in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld en het vonnis van de rechtbank ook in zoverre bekrachtigen.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 8 juni 2016, behalve voor zover het de verklaring voor recht in 5.1 van het dictum ten aanzien van de buitengebruikstelling van het gebouw te Ammerzoden als school betreft, vernietigt het vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart voor recht dat de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, ten aanzien van de gehele kadastrale percelen bekend als K3298 en K3297 (zoals beide nader aangeduid op de bij de inleidende dagvaarding als productie 23 overgelegde plattegrond), zijnde de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Ammerzoden respectievelijk het resterende buitenterrein van de brede school te Ammerzoden zoals voorlopig in eigendom gebleven bij de Stichting, het economisch eigendomsrecht kon doen gelden als bedoeld in artikel 110 WPO Pro, indien de Stichting op dat moment zou zijn opgehouden het gebouw en terrein voor de school te gebruiken, met als gevolg dat de Stichting voor de overdracht van perceel K3298 ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst ‘Brede School Ammerzoden’ d.d. 15 maart 2013 geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,- en perceel K3297 ingevolge artikel 4 lid 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen een prijs van € 1,-;
veroordeelt de Stichting tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst ‘Brede School Ammerzoden’ d.d. 15 maart 2013 in die zin, dat de Stichting ingevolge artikel 4 lid 3 van Pro deze overeenkomst na betekening van dit arrest op eerste schriftelijk verzoek van een door de Gemeente in te schakelen notaris binnen veertien dagen volledige medewerking verleent aan goederenrechtelijke levering van perceel 3297, sectie K, kadastrale gemeente Ammerzoden, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat de Stichting hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000,-;
bepaalt dat dit arrest, indien de Stichting niet (tijdig) aan de in de vorige alinea van dit arrest omschreven veroordeling mocht voldoen, op de voet van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de voor de notariële levering van het vermelde perceel vereiste medewerking van de Stichting;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. LF. Wiggers-Rust, F.J. de Vries en R.W.E. van Leuken, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.