ECLI:NL:GHARL:2020:3763

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2020
Publicatiedatum
13 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.224.985
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen beslissing officier van justitie in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een bestuursstrafzaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen gronden van beroep waren ingediend, ondanks een termijn om dit te herstellen.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard omdat de betrokkene geen kosteloos afschrift van de foto van de gedraging had ontvangen, waardoor de termijn voor het indienen van gronden niet was gestart. Het hof stelde vast dat de griffier meerdere malen had gewezen op de mogelijkheid om tegen betaling een afschrift van het dossier te ontvangen en dat kosteloos inzage ook mogelijk was.

De gemachtigde heeft geen gronden ingediend en is niet verschenen bij de zitting. Het hof oordeelde dat de griffier voldoende had voldaan aan de wettelijke verplichtingen en dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard en de proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.224.985
CJIB-nummer
: 198228632
Uitspraak d.d.
: 13 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 29 juni 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is aanvullende informatie in het geding gebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen hierop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden tegen die beslissing zijn ingediend ondanks dat een termijn om het verzuim te herstellen is geboden.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter voor vernietiging in aanmerking komt, aangezien het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat ondanks herhaalde verzoeken aan de kantonrechter hij geen beschikking heeft gekregen over de foto van de gedraging. Volgens vaste rechtspraak van het hof heeft de betrokkene ten minste recht op het kosteloos ontvangen van het zaakoverzicht en foto’s. Nu de foto van de gedraging niet is verstrekt, is de termijn voor het indienen van de gronden niet ingegaan. De gemachtigde heeft hierbij verwezen naar (rechtsoverweging 12 van) het arrest van het hof van 22 december 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
3. Het hof stelt het volgende vast. Bij brief van 23 september 2016 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift bevat geen gronden van beroep. Verzocht is om verstrekking van een afschrift van het procesdossier en om een termijn voor het aanvullen (het hof leest: indienen) van de gronden van beroep.
4. Bij brief van 9 maart 2017 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde bericht dat voor het verstrekken van een afschrift van het dossier een bedrag van € 10.38 (40 x € 0,18 + € 3,18) in rekening wordt gebracht en dat na ontvangst van dit bedrag een afschrift van het dossier zal worden verstrekt. De griffier heeft de gemachtigde verzocht binnen zeven dagen schriftelijk aan te geven of het verzoek om het verstrekken van een afschrift van het dossier wordt gehandhaafd. Voorts is verzocht de nadere gronden van beroep vóór 10 april 2017 kenbaar te maken. Bij schrijven van 16 maart 2017 heeft de gemachtigde de rechtbank bericht dat de officier van justitie heeft nagelaten hem brondocumenten te verstrekken en verzoekt hij om daarvan een afschrift te ontvangen dan wel de officier van justitie op te dragen alsnog brondocumenten te verstrekken. Bij brief van 20 maart 2017 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde nogmaals bericht dat tegen betaling van een bedrag van € 10,38 een afschrift van het dossier zal worden verstrekt. Voorts is erop gewezen dat de stukken ook kosteloos kunnen worden ingezien. Bij brief van 13 april 2017 is de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 11 mei 2017. Op 24 april 2017 heeft de gemachtigde aan de rechtbank gevraagd hem te bevestigen dat uit de brief van 20 maart 2017 kan worden afgeleid dat er veertig pagina’s brondocumenten zijn, zodat een geïnformeerde keuze te maken valt. De zaak is behandeld ter zitting van de kantonrechter op 11 mei 2017. De gemachtigde is aldaar niet verschenen. De kantonrechter heeft de zaak aangehouden tot de zitting van 29 juni 2017 om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen de gronden van beroep kenbaar te maken. Bij brief van 17 juni 2017 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om het verstrekken van brondocumenten. Hij heeft geen reactie op zijn schrijven van 24 april 2017 gehad. Omdat de zitting nadert en de administratieve en financiële afhandeling (naar het hof begrijpt: van het verstrekken van een afschrift van het dossier na betaling van de kosten daarvan) enige tijd in beslag al nemen, rappelleert de gemachtigde om te voorkomen dat de termijn voor gronden pas na de aanstaande zitting kan worden gegeven, wanneer onverhoopt de brondocumenten niet voorafgaande aan de zitting kunnen worden verstrekt. Het hof stelt ten slotte vast dat geen gronden zijn ingediend en dat de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter van 29 juni 2017 is verschenen.
5. Naar het oordeel van het hof heeft de griffier van de rechtbank zich in het onderhavige geval voldoende ingespannen aan het bepaalde in artikel 11, vierde lid (oud, thans vijfde lid), van de Wahv te voldoen. Daarbij merkt het hof op dat de griffier, anders dan de gemachtigde betoogt, op grond van voormelde bepaling een vergoeding in rekening kan brengen voor het verstrekken van stukken. Gelet hierop treft het verweer dat de termijn voor het indienen van de gronden niet is ingegaan geen doel.
6. Voor het overige is tegen de beslissing van de kantonrechter niets aangevoerd. Die beslissing komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.