ECLI:NL:GHARL:2020:3789

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 mei 2020
Publicatiedatum
14 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.233.074/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep bestuursstrafrecht wegens termijnoverschrijding

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctiebeschikking op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de hoorplicht was geschonden en dat de betrokkene de beschikking nooit had ontvangen, waardoor het beroep ontvankelijk zou zijn. Het hof constateerde een schending van de hoorplicht omdat de officier van justitie het verzoek om te worden gehoord had genegeerd.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De betrokkene kon het te laat instellen van het beroep niet op een niet ongeloofwaardige wijze betwisten, en het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctiebeschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.233.074/01
CJIB-nummer
: 203267591
Uitspraak d.d.
: 14 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 december 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie daarom niet in stand had mogen laten.
3. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan. De officier van justitie is aan dit verzoek voorbij gegaan, omdat het beroep wegens termijnoverschrijding kennelijk niet-ontvankelijk zou zijn. Dit is niet juist. Een niet tijdig ingediend administratief beroepschrift betekent niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, ook niet als in het administratief beroepschrift geen reden is opgenomen waarom te laat beroep is ingesteld. Daarover kan de betrokkene tijdens de hoorzitting worden gehoord (vgl. het arrest van het hof van
27 juni 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:5210 en het arrest van het hof van 27 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11364). Aldus is sprake van een schending van de hoorplicht.
4. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
5. De gemachtigde voert aan dat het beroep tegen de inleidende beschikking ontvankelijk is. De betrokkene heeft de inleidende beschikking namelijk nooit ontvangen. Hij is door een aanmaning op de hoogte geraakt van de sanctie en heeft vervolgens zo snel mogelijk beroep ingesteld. Gebleken is dat het CJIB de verzending van beschikkingen heeft uitbesteed aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De gemachtigde verwijst hierbij naar het door hem in hoger beroep overgelegde convenant tussen het CJIB en DUO. Nu de bekendmaking nimmer (op de juiste wijze) is geschied, is de beroepstermijn niet aangevangen. Bovendien blijkt uit de eerder in de procedure door de gemachtigde overgelegde werkbeschrijving van het CJIB dat het CJIB een beleid voert dat wanneer een betrokkene telefonisch contact opneemt met het CJIB en zegt dat hij de beschikking niet heeft ontvangen, hem een nieuwe beschikking wordt toegezonden met een nieuwe dagtekening. Gelet op dit beleid, waaraan de betrokkene vertrouwen mag ontlenen, is het door de betrokkene ingestelde beroep ontvankelijk.
6. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
7. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn start. Als dat aannemelijk is gemaakt en de geadresseerde heeft niet tijdig beroep ingesteld, dan kan aan de orde komen of de overschrijding van de beroepstermijn aan de geadresseerde kan worden toegerekend. Het is dan aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
8. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 6 december 2016 aan de betrokkene is toegestuurd. Het CJIB verzorgt de verzending. In het arrest van 23 december 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten.
Het verweer van de gemachtigde dat het CJIB de verzending van beschikkingen heeft uitbesteed aan DUO geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het door de gemachtigde overgelegde convenant tussen DUO en het CJIB is namelijk pas op 1 januari 2017 - dus na de verzending van de beschikking in de onderhavige zaak - ingegaan. Op basis van het zaakoverzicht mag worden aangenomen dat de beschikking daadwerkelijk is verstuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 17 januari 2017. Het beroepschrift is gedateerd 3 maart 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 6 maart 2017 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
9. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
10. De betrokkene heeft ontkend dat de beschikking is ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de beschikking als onbestelbaar retour is gekomen. De ontvangst van de inleidende beschikking is niet op een niet ongeloofwaardige wijze betwist.
11. Anders dan de gemachtigde is het hof van oordeel dat de betrokkene aan de door de gemachtigde overgelegde ongedateerde werkomschrijving van het CJIB (voor zover deze op dat moment al gold) niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het door hem ingestelde beroep ontvankelijk zou zijn. Blijkens deze werkomschrijving wordt aan een betrokkene een nieuwe beschikking toegestuurd wanneer hij naar aanleiding van de ontvangst van de eerste aanmaning telefonisch contact opneemt met het CJIB en aangeeft dat hij de beschikking nooit heeft ontvangen. Van die situatie is in dit geval geen sprake. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt dan ook verworpen.
12. Wat wordt aangevoerd maakt dus niet dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit brengt mee dat de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie niet kunnen worden behandeld.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat het arrest te ondertekenen.