De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens het niet tijdig verstrekken van het procesdossier en schending van de hoorplicht. Ook stelt de gemachtigde dat de kantonrechter hem niet wilde toestaan om ter zitting nadere gronden toe te lichten, waardoor aan deze gronden voorbij is gegaan en geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling.
2. Het hof stelt vast dat in de uitspraak van de kantonrechter staat vermeld dat de gemachtigde ter zitting diverse aanvullende verweren naar voren heeft gebracht en dat deze zijn gepasseerd als zijnde tardief, omdat niet is gebleken dat deze niet eerder konden worden aangevoerd. De Wahv kent evenwel geen bepaling met betrekking tot het tijdstip waarop nog aanvullende gronden kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen overigens wel mee dat wanneer ter zitting aanvullende gronden worden ingediend en de officier van justitie hierop niet adequaat kan reageren de zaak door de kantonrechter moet worden aangehouden. De behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de Wahv heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze nader toe te lichten. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter de gemachtigde daartoe onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld. Om die reden kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof deze vernietigen.
3. Uit het dossier blijkt verder het volgende. De gemachtigde heeft bij brief van 15 mei 2017 verzocht hem een afschrift van het procesdossier toe te sturen. De officier van justitie heeft de gemachtigde per brief van 30 juni 2017 uitgenodigd om op 22 augustus 2017 in persoon of telefonisch te worden gehoord. De gemachtigde is via een meegestuurd retourformulier gevraagd om aan te geven in welke zaken hij wil worden gehoord. De onderhavige zaak is op het formulier opgenomen met de naam van de betrokkene en het CJIB-nummer. De gemachtigde heeft daarop bij brief van 28 juli 2017, door de CVOM ontvangen op 31 juli 2017, aangegeven dat hij op 22 augustus 2017 in persoon wil worden gehoord. Op de in bijlage aangegeven zaken staat de zaak van de betrokkene aangevinkt. Verder schrijft hij in deze brief dat bij de bestudering van alle dossiers is gebleken dat nog niet in alle dossiers het volledige procesdossier is toegestuurd. Hij verzoekt dan ook nogmaals om eerst de volledige dossiers te doen toekomen en te bevestigen of de hoorzitting op
22 augustus 2017 doorgaat. Naar aanleiding van deze brief is aan de gemachtigde op 4 augustus 2017 nogmaals de uitnodiging voor de hoorzitting op 22 augustus 2017 met alle bijbehorende stukken verstuurd. Bij brief van 9 augustus 2017, ontvangen op 15 augustus 2017, heeft de gemachtigde de ontvangst van de uitnodiging en de stukken ten aanzien van de in de bijlage vermelde zaken, waaronder de onderhavige zaak, bevestigd. De gemachtigde verzoekt echter om de hoorzitting te verplaatsen, omdat deze al over 13 dagen is en er in de tussentijd allerlei oproepen zijn geweest waardoor hij op 22 augustus 2017 niet meer gehoord kan worden.
4. De officier van justitie heeft het beroep op 13 september 2017 ongegrond verklaard. Van het horen is afgezien, omdat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de aangeboden data om te worden gehoord. Verder staat in de beslissing vermeld dat de gemachtigde telefonisch niet te bereiken is vanwege het door hem opgegeven betaalnummer en zou hebben aangegeven dat hij voor het horen alleen via dat nummer beschikbaar is.
5. Het hof kan de stelling van de gemachtigde in hoger beroep, dat het procesdossier pas na het instellen van het beroep bij de kantonrechter aan hem is toegestuurd, niet volgen nu uit voornoemde gang van zaken blijkt dat hij de bij brief van 4 augustus 2017 door de officier van justitie verzonden stukken van het dossier heeft ontvangen. Aldus is geen sprake van schending van de informatieplicht door de officier van justitie.
6. Het hof is wel met de gemachtigde van oordeel dat in de motivering van de beslissing van de officier van justitie ten onrechte wordt overwogen dat de gemachtigde zou hebben aangegeven dat hij alleen via een betaalnummer beschikbaar was voor het telefonisch horen, nu de gemachtigde heeft verzocht om een fysieke hoorzitting. Het hof stelt verder vast dat de gemachtigde meermalen behoorlijk is uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting op 22 augustus 2017 en dat hij op die datum kennelijk ook beschikbaar was. Dat de gemachtigde een week van tevoren heeft verzocht de hoorzitting te verplaatsen zonder verdere onderbouwing, anders dan dat hij allerlei oproepen heeft ontvangen, was onvoldoende om de geplande hoorzitting niet door te laten gaan. In die zin treft de klacht over schending van de hoorplicht daarom geen doel. Bij de stukken bevindt zich echter geen verslag van de hoorzitting op 22 augustus 2017, zodat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de fysieke hoorzitting doorgang heeft gevonden.
7. Nu er geen fysieke hoorzitting heeft plaatsgevonden, kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing daarom vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 april 2017 om 20.23 uur op de N205 Schipholweg in Haarlem met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
9. De gemachtigde voert aan dat het voertuig van de betrokkene wel de stopstreep, maar niet het rode verkeerslicht is gepasseerd. Daarnaast klopt de ijking niet in deze zaak, nu er twee verschillende nummers bij de foto’s staan vermeld waardoor blijkens jurisprudentie van het hof niet kan worden vastgesteld dat de camera en de radarantenne als set bij elkaar horen. Verder blijk uit de opnames dat de foto’s te snel zijn genomen. Verder hebben de foto’s dezelfde tijdsaanduiding, terwijl dit gelet op de intervaltijd van meer dan een seconde onmogelijk is. De meting is dus niet correct.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,5 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. De tijdsduur van de geellichtfase is op de foto vermeld. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal."
11. In het dossier bevinden zich verder twee foto's van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat op het kruispunt voor de rijstrook voor linksaf twee verkeerslichten aanwezig zijn. Het eerste verkeerslicht voor linksaf is een vrijstaand verkeerslicht dat zich op de wegafscheiding bevindt vóór het tweede verkeerslicht voor linksaf dat is gemonteerd op het portaal boven de rijstroken. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep met de voorkant is gepasseerd, terwijl het voor hem geldende verkeerslicht rood uitstraalt. Het verkeerslicht staat op dat moment reeds 0,5 seconden op rood. Op de tweede foto, die 1,1 seconden later is genomen, is te zien dat het voertuig de stopstreep volledig is gepasseerd en verder de kruising op is gereden. De geeltijd bij het desbetreffende verkeerslicht bedroeg 3,0 seconden.
12. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep nog een foto van Google Maps overgelegd van de situatie ter plaatse. Hij stelt dat op deze foto duidelijk is te zien dat het eerste verkeerslicht voor linksaf ruimschoots voor de overige verkeerslichten op dat kruispunt is geplaatst, namelijk nog voor het kruisende fietspad. Van de overige verkeerslichten aan de metalen overspanning zijn de palen pas na dit kruisende fietspad geplaatst.
13. Het verweer van de gemachtigde, dat de betrokkene niet door rood zou zijn gereden, wordt verworpen. Op basis van de stukken in het dossier en het samenstel van foto’s stelt het hof vast dat de betrokkene met het voertuig het eerste rood uitstralende verkeerslicht voor linksaf is gepasseerd. Anders dan de gemachtigde meent, moet voor de beoordeling van de gedraging worden uitgegaan van dit eerste verkeerslicht. De stopstreep bevindt zich immers vóór dit vrijstaande verkeerslicht. Aldus is de betrokkene door rood gereden.
14. Uit het zaakoverzicht volgt afdoende dat het hier om een meting met radarapparatuur gaat. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze radarmeting. Dat de camera en de antenne-eenheid elk over een uniek nummer beschikken, is niet ongebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 14 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4377). Dat op beide foto’s dezelfde tijd is vermeld, heeft een technische oorzaak (het hof verwijst naar het arrest van het hof van 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1901). De klachten van de gemachtigde treffen daarom geen doel. 15. Ten aanzien van de klachten over de bevoegdheid van de ambtenaar overweegt het hof het volgende. De verbalisantcode en het nummer van de akte van beëdiging zijn in het zaakoverzicht vermeld. De omstandigheid dat online (slechts) een geanonimiseerde akte van beëdiging beschikbaar zou zijn van de verbalisant, leidt niet tot twijfel aan de bevoegdheid van de verbalisant. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een afschrift van het mandaatbesluit overgelegd, waaruit volgt dat S.T. Sibma bevoegd was tot het beëdigen van de betreffende ambtenaar. Aldus is het hof van oordeel dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd.
16. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
17. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).