De betrokkene is bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 11 km/u op 25 april 2016 op de N200 in Halfweg. De betrokkene ontkende de overtreding en voerde aan dat hij niet te hard had gereden en dat de meetapparatuur niet correct was geijkt.
De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en wees een proceskostenvergoeding toe. Tegen deze beslissing werd hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte had aangenomen dat de aanwezigheid van de betrokkene op de plaats van de overtreding was betwist en dat de kantonrechter niet vooringenomen was door het beperken van spreektijd.
Het hof verwierp het verweer dat de camera en meeteenheid niet geijkt zouden zijn, en oordeelde dat de ontkenning van de betrokkene onvoldoende was om de overtreding te betwijfelen. Ook het verweer over de bevoegdheid en beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaar werd verworpen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.