ECLI:NL:GHARL:2020:3800

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
15 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.647/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom

De betrokkene is bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 11 km/u op 25 april 2016 op de N200 in Halfweg. De betrokkene ontkende de overtreding en voerde aan dat hij niet te hard had gereden en dat de meetapparatuur niet correct was geijkt.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en wees een proceskostenvergoeding toe. Tegen deze beslissing werd hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte had aangenomen dat de aanwezigheid van de betrokkene op de plaats van de overtreding was betwist en dat de kantonrechter niet vooringenomen was door het beperken van spreektijd.

Het hof verwierp het verweer dat de camera en meeteenheid niet geijkt zouden zijn, en oordeelde dat de ontkenning van de betrokkene onvoldoende was om de overtreding te betwijfelen. Ook het verweer over de bevoegdheid en beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaar werd verworpen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het hoger beroep en het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.647/01
CJIB-nummer
: 198462972
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 7 mei 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 93,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 11 km/u”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 april 2016 om 09:09 uur op de N200 - Haarlemmerweg in Halfweg met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene heeft ter plaatse gereden, maar niet te hard. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat de gemachtigde de aanwezigheid van de betrokkene op de plaats van de gedraging had betwist. Ook vindt de gemachtigde dat de kantonrechter vooringenomen was, nu zij hem onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt naar voren te brengen.
3. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter onder meer aangevoerd:
‘Betrokkene noch diens voertuig was op het moment van de geconstateerde overtreding op de pleeglocatie’. Het verweer dat deze grond bij de kantonrechter niet zou zijn aangevoerd, mist dan ook feitelijke grondslag.
4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt verder dat de gemachtigde aanwezig was op de openbare zitting en het woord heeft gevoerd. Het staat de kantonrechter, die een ordentelijk verloop van de zitting bewaakt, vrij om de spreektijd van partijen indien nodig te beperken. Dat is niet met enige rechtsregel in strijd en getuigt evenmin van vooringenomenheid.
5. De gemachtigde voert aan dat de camera en de meeteenheid niet als een set zijn geijkt. Dat blijkt uit de nummers op de overtredingsfoto, die niet met elkaar overeenstemmen. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de apparatuur niet goed is geijkt.
6. Het verweer mist doel. Uit de foto van de gedraging blijkt dat de camera en de antenne-eenheid hier elk over een uniek nummer beschikken. Dat is niet ongebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 14 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:4377). Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, de gedraging door geijkte apparatuur is vastgesteld.
7. De gemachtigde stelt verder dat hij alleen een geanonimiseerde akte van beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) heeft kunnen achterhalen. Daarmee is er wat hem betreft onvoldoende bewijs dat de boa bevoegd en beëdigd was. Bovendien blijkt uit de akte van beëdiging waarover de gemachtigde beschikt niet dat de daarin vermelde functionaris bevoegd was om de boa te beëdigen.
8. Zoals het hof heeft overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat de gemachtigde alleen een geanonimiseerde akte van beëdiging van de ambtenaar heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. In zoverre faalt het verweer.
9. Uit het dossier blijkt niet dat de ambtenaar is beëdigd door de functionaris die de gemachtigde noemt. Alleen al daarom hoeft niet te worden nagegaan of deze functionaris op dat moment via een geldig mandaat bevoegd was om boa’s te beëdigen. Overigens overweegt het hof ten overvloede dat het hof in een arrest van 21 november 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:10129) op basis van de door de advocaat-generaal uiteengezette mandaatconstructie is gebleken dat deze specifieke functionaris bevoegd was om onder zijn dienst ressorterende boa’s te beëdigen. Ook dit verweer wordt verworpen.
10. Voor het overige komt het verweer van de gemachtigde neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Naar het oordeel van het hof wordt die ontkenning in voldoende mate weerlegd door de gegevens in het zaakoverzicht en de bijbehorende foto’s. Op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
11. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld.
Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, kan in het midden blijven of de kantonrechter de hoogte van de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.