ECLI:NL:GHARL:2020:3893

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2020
Publicatiedatum
19 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.204.084/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens ontbreken verzekering bromfiets ondanks verweer en proceskostenverzoek

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctie van €330 wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets op 2 oktober 2015. De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond tegen een eerdere beslissing, maar wees het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en kende een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat het ontbreken van een proces-verbaal en het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor tot vernietiging van de beslissing moesten leiden. Het hof oordeelde dat ondanks het ontbreken van een proces-verbaal de belangen van de betrokkene niet zijn geschaad, omdat een zakelijke weergave van de zitting aanwezig was. Het verweer dat de sanctie niet door een bevoegde ambtenaar was opgelegd werd verworpen op basis van het dossier.

Het hof stelde vast dat het voertuig op de datum van de overtreding niet verzekerd was en dat dit automatisch was vastgesteld. De poging tot matiging van de sanctie werd afgewezen omdat de regelgever de hoogte van het bedrag heeft vastgesteld en het feit dat het voertuig niet op de weg was of gedemonteerd was niet relevant is. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep werd eveneens afgewezen, waarmee de beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.204.084/01
CJIB-nummer
: 193518869
Uitspraak d.d.
: 19 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 14 november 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Van de gemachtigde zijn op 11 oktober 2017 en 22 januari 2018 nog brieven ontvangen. Een afschrift daarvan is toegezonden aan de advocaat-generaal. Verder is op 16 juli 2018 nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Het is vaste rechtspraak van het hof dat van iedere zitting een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt waarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen is vervat. De beslissing van de kantonrechter voldoet daaraan niet, zodat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.
3. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat in deze zaak een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt. Het hof ziet in dit geval evenwel aanleiding om hieraan geen gevolgen te verbinden. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat in de beslissing van de kantonrechter een zakelijke weergave is opgenomen van wat er op de zitting is voorgevallen, waaronder de conclusie waartoe de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting is gekomen, zodat de betrokkene door het ontbreken van het proces-verbaal niet in zijn belangen is geschaad.
4. Verder voert de gemachtigde aan dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, maar voerde eerst ter zitting verweer. Nu de gemachtigde niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het eerst ter zitting gevoerde verweer door de officier van justitie, is het elementaire rechtsbeginsel van hoor en wederhoor geschonden.
5. Het hof overweegt dat de zitting van de kantonrechter bij uitstek de plaats is waar de officier van justitie kan reageren op door de gemachtigde naar voren gebrachte (aanvullende) beroepsgronden. Ook kan hij daarbij nieuwe informatie inbrengen. De Wahv kent niet een bepaling als artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dat de gemachtigde om hem moverende redenen heeft besloten om niet ter zitting van de kantonrechter te verschijnen (en daardoor niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op het ter zitting verwoorde standpunt van de officier van justitie) is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen.
6. Voor het overige richt het verweer van de gemachtigde zich tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie van € 330,- is opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 2 oktober 2015 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [Y000YY] .
7. De gemachtigde voert aan dat er onvoldoende bewijsstukken in het dossier zitten om de gedraging vast te stellen. Uit het zaakoverzicht volgt verder niet dat van een ambtsedig proces-verbaal sprake is. De verweten gedraging is dan ook niet door een daartoe bevoegde persoon vastgesteld.
8. Voor zover de gemachtigde stelt dat het zaakoverzicht geen toelichting van de ambtenaar bevat en door het ontbreken van een ambtsedig proces-verbaal geen sprake is van een opgelegde sanctie, overweegt het hof als volgt. Zoals het hof in zijn arrest van 4 april 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855 heeft overwogen, stelt de Wahv niet de eis dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend proces-verbaal ten grondslag ligt en kan aan het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal niet de betekenis toekomen dat de sanctie niet in stand kan blijven. Slechts brengt dit mee dat daaraan niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt. Dit neemt niet weg dat de vaststelling dat een gedraging is verricht ook op een niet-ambtsedige verklaring van een ambtenaar kan worden gebaseerd.
9. In de onderhavige zaak ligt aan de oplegging van de sanctie geen (ambtsedige) verklaring van de ambtenaar ten grondslag en is in het zaakoverzicht geen toelichting opgenomen. Het verweer dat niet is gebleken dat de verweten gedraging is vastgesteld door een daartoe bevoegd persoon, treft geen doel. De gedraging is automatisch vastgesteld. Voor zover de gemachtigde heeft willen betogen dat niet kan worden vastgesteld dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd stelt het hof vast dat het zaakoverzicht het nummer van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd vermeldt. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
10. Het hof stelt verder vast dat zich in het dossier twee uitdraaien bevinden uit het kentekenregister van de RDW. Uit de eerste uitdraai blijkt dat de betreffende voertuig op 2 oktober 2015 op naam van de betrokkene was gesteld en dat het voertuig niet verzekerd was. Uit de tweede uitdraai blijkt dat de geldigheid van de tenaamstelling van het betreffende voertuig met ingang van 27 oktober 2015 geschorst is.
11. Het hof is van oordeel dat op grond van deze gegevens kan worden vastgesteld dat voor het voertuig van de betrokkene op voormelde datum geen verzekering was afgesloten en in stand gehouden. Gelet hierop staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal gelet op het gevoerde verweer beoordelen of er redenen zijn het bedrag van de sanctie te matigen.
12. De gemachtigde voert in dit verband aan dat het voertuig van de betrokkene niet op de weg is geweest. Er kon niet met de auto gereden worden, omdat de auto uit elkaar gehaald was. Onder verwijzing naar een uitspraak van het hof van 1 september 2017 (ECLI:GHARL:2017:7647) stelt de gemachtigde dat bij het openbaar ministerie sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de verhouding tussen de hoogte van het sanctiebedrag en de ernst van de gedraging. Gelet hierop is hij van mening dat in de onderhavige zaak, die identiek is aan de zaak in voornoemd arrest, aanleiding bestaat het bedrag van de sanctie te matigen.
13. Het hof ziet geen aanleiding om tot matiging van het bedrag van de sanctie over te gaan. De regelgever heeft de hoogte van het bedrag van de sanctie bepaald voor de onderhavige gedraging. Niet relevant daarbij is of het voertuig al dan niet op de weg is geweest en/of gedemonteerd was. In het door de gemachtigde genoemde arrest was sprake van een situatie waarin de advocaat-generaal, die een eigen bevoegdheid heeft waar het gaat om vernietiging of wijziging van een inleidende beschikking hangende de behandeling van het hoger beroep, het hof in overweging heeft gegeven het bedrag van de sanctie te matigen. In deze zaak heeft de advocaat-generaal niet doen blijken van deze bevoegdheid gebruik te willen maken. De verwijzing naar het arrest van het hof van 1 september 2017 treft daarom geen doel. Overigens wijst het hof op zijn arrest van 4 februari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:985 waarin is vastgesteld dat het openbaar ministerie ter zake geen beleid voert.
14. Gelet hierop heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
15. Tot slot zijn de bezwaren van de gemachtigde gericht tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding en is in hoger beroep verzocht om een proceskostenvergoeding.
16. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking en wordt het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.