ECLI:NL:GHARL:2020:4051

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2020
Publicatiedatum
27 mei 2020
Zaaknummer
200.261.248
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 170 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht en bewijslevering koopovereenkomst bestelbus en betaling koopsom

In hoger beroep staat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de appellant toe bewijs te leveren over de totstandkoming van een koopovereenkomst van een bestelbus en de betaling van de koopsom van € 11.600,-. De appellant stelt dat hij de bestelbus contant heeft betaald, maar de geïntimeerde betwist dit. Het hof acht het bewijsaanbod en de stellingen van appellant voldoende concreet om tot bewijslevering toe te laten.

Daarnaast wijst het hof een verzoek ex artikel 843a Rv toe, waarbij de geïntimeerde wordt verplicht bankafschriften van januari 2012 te overleggen, ondanks diens stelling dat deze niet meer opvraagbaar zijn. Dit is van belang voor het bewijs van betaling.

Het hof bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden, mogelijk via digitale middelen vanwege coronamaatregelen, onder leiding van een raadsheer-commissaris. Partijen dienen tijdig namen van getuigen en stukken te overleggen. De uitspraak in eerste aanleg wordt voorlopig niet bekrachtigd en verdere beslissing wordt aangehouden tot bewijs is geleverd.

Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe en wijst het verzoek tot overlegging bankafschriften toe; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.261.248
(zaaknummer rechtbank Gelderland 6863697\18-4193\35047/40323)
arrest van 26 mei 2020
in de zaak van
[appellant],
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde partij in verzet,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Asten,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eisende partij in verzet,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S. van der Eijk.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het verstekvonnis (in de zaak 5266803 CV EXPL 16-11736) van 7 september 2016, het tussenvonnis van 2 mei 2018 en het eindvonnis van 6 maart 2019 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton en handelsrecht, locatie Arnhem) heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 5 juni 2019,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
[appellant] vordert in hoger beroep - kort samengevat – het vonnis van 6 maart 2019 van de kantonrechter te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 11.600,- aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg in verzet en in hoger beroep.
2.4
[geïntimeerde] concludeert - kort samengevat – het vonnis van 6 maart 2019 van de kantonrechter zo nodig met verbetering van gronden te bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van deze procedure.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis van 6 maart 2019, nu partijen het hierover eens zijn.

4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1
[appellant] heeft – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van
€ 11.600,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2
De kantonrechter heeft bij vonnis van 6 maart 2019 het verstekvonnis van 7 september 2016, waarbij de vordering van [appellant] werd toegewezen, vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen omdat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de stellingen van [appellant] zodanig haperend en inconsistent dat die afbreuk doen aan de algehele begrijpelijkheid en geloofwaardigheid daarvan.

5.De beoordeling in hoger beroep

5.1
De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In hoger beroep is de kern het antwoord op de vraag of [appellant] alsnog tot bewijslevering moet worden toegelaten.
5.2
[appellant] stelt dat hij op 29 januari 2012 een bestelbus met kenteken [00-YYY-00] heeft gekocht van [geïntimeerde] voor een koopsom van € 11.600,-. [appellant] heeft dit bedrag contant voldaan, waarna [geïntimeerde] de kentekenpapieren heeft overhandigd. De volgende dag werd de bestelbus op naam van [appellant] gezet. [geïntimeerde] heeft de bestelbus niet geleverd. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze stellingen twee schriftelijke getuigenverklaringen in het geding gebracht. De gestelde totstandkoming van de koopovereenkomst alsmede de betaling van de koopsom is voldoende betwist door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft onvoldoende weersproken dat de bestelbus op naam van [appellant] werd gezet.
5.3
Hoewel de stellingen van [appellant] en de inhoud van de door hem in het geding gebrachte schriftelijke getuigenverklaringen op bepaalde punten (nog steeds) niet op elkaar aansluiten, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende gesteld en ook een voldoende concreet getuigenbewijsaanbod gedaan om tot bewijslevering te worden toegelaten. Het hof zal dan ook bewijslevering door middel van getuigen aan de zijde van [appellant] toestaan in hierna te vermelden zin.
5.4
[appellant] heeft in zijn memorie van grieven een vordering ex artikel 843a Rechtsvordering ingesteld tot het overleggen van afschriften van de bankrekeningen van [geïntimeerde] waaruit alle overschrijvingen op 29 en 30 januari 2012 op die rekeningen kunnen blijken. [geïntimeerde] heeft in reactie daarop gesteld dat hij bankiert bij de ABN AMRO bank en dat hij gelet op het tijdsverloop geen afschriften uit 2012 kan opvragen. Het hof is van oordeel dat [appellant] er in het kader van zijn bewijslast een voldoende rechtmatig belang bij heeft dat [geïntimeerde] (een) rekeningafschrift(en) van (al) zijn bankrekening(en) bij ABN AMRO bank overlegt waarop alle bijschrijvingen te zien zijn op 29 en 30 januari 2012. [geïntimeerde] heeft daar onvoldoende tegen in gebracht. Zo heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat hij de gevorderde afschriften niet kan opvragen bij zijn bank.
5.5
Zo [appellant] slaagt in zijn bewijsopdracht, heeft hij recht op schadevergoeding doordat [geïntimeerde] de bestelbus niet aan [appellant] heeft geleverd en zal zijn vordering alsnog worden toegewezen. Indien [appellant] niet in zijn bewijsopdracht slaagt, zal dat tot gevolg hebben dat het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd.
5.6
Iedere verdere beslissing zal in afwachting van de bewijslevering worden aangehouden. In verband met coronamaatregelen moeten partijen erop bedacht zijn dat de getuigenverhoren mogelijk via digitale hulpmiddelen zullen worden gehouden.

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat [appellant] toe tot het bewijs door middel van getuigen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen in 2012 een koopovereenkomst hebben gesloten waarbij de bestelbus voor een koopsom van € 11.600,- door [geïntimeerde] aan [appellant] werd verkocht en dat [appellant] die koopsom ook contant aan [geïntimeerde] heeft betaald;
bepaalt dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M. Schoemaker, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem
of anderszins via een digitaal hulpmiddelen wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat de advocaat van [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede (na overleg met de advocaat van partij [geïntimeerde] ) de verhinderdagen van
beidepartijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de
roldatum 25 augustus 2020, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
bepaalt dat [geïntimeerde] de stukken als bedoeld in rov. 5.4 in het geding dient te brengen en dat [geïntimeerde] ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de enquête een afschrift van die stukken hebben ontvangen;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de enquête een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.R. van Harinxma thoe Slooten en M. Schoemaker, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020.