Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk gezaghebbenden over een minderjarig kind. De kinderrechter had bij beschikking van 24 maart 2020 een machtiging verleend om het kind uit huis te plaatsen bij de vader vanwege een vermoeden van besmetting met het nieuwe coronavirus en het lopende raadsonderzoek.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om vernietiging van de machtiging en onmiddellijke terugplaatsing van het kind bij haar. Het hof heeft het beroep behandeld en vastgesteld dat het raadsonderzoek op 8 mei 2020 was afgerond en dat de machtiging tot uithuisplaatsing uiterlijk op die datum was verstreken.
Verder bleek dat zowel de vader als het kind hersteld waren van hun klachten en dat er geen andere gronden waren die de uithuisplaatsing noodzakelijk maakten. De stellingen van de raad en de gecertificeerde instelling dat het kind beter bij de vader kon blijven vanwege de huidige situatie, boden geen grond voor voortzetting van de machtiging.
Het hof heeft daarom de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, maar bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing uiterlijk op 8 mei 2020 is verstreken, en heeft de kosten van het hoger beroep ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van het kind bij de vader is uiterlijk op 8 mei 2020 komen te vervallen.