Belanghebbende kreeg voor 2015 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd op basis van loon uit Liechtenstein, waarbij de Inspecteur aanvankelijk uitging van het Nederlandse sociale verzekeringsrecht. Na bezwaar verklaarde de SVB dat het Liechtensteinse recht van toepassing was vanaf 1 december 2015, wat leidde tot herziening van de aanslagen door de Inspecteur. De Inspecteur weigerde echter een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De rechtbank Gelderland oordeelde dat belanghebbende recht had op vergoeding van proceskosten voor bezwaar, omdat de onrechtmatigheid aan de SVB te wijten was en niet aan de Inspecteur. De Inspecteur ging in hoger beroep, stellende dat hij juist had gehandeld door de voorlopige SVB-beslissing te volgen en dat er geen verwijtbare onrechtmatigheid was.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en overwoog dat de Inspecteur terecht de voorlopige SVB-beslissing volgde, maar dat de onjuiste voorlopige beslissing van de SVB voor risico van de Inspecteur komt. Daarom is de toekenning van een kostenvergoeding aan belanghebbende gerechtvaardigd. Het Hof wees ook op het arrest van de Hoge Raad dat onjuiste registraties van andere bestuursorganen voor rekening van de Inspecteur komen.
Het Hof kende belanghebbende een proceskostenvergoeding van €525 toe voor het hoger beroep en veroordeelde de Inspecteur in deze kosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 juni 2020.