Art. 289 RvArt. 249 lid 2 RvArt. 283 RvArt. 362 lid 2 Faillissementswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Proceskostenveroordeling curator na intrekking hoger beroep tegen ontslag uit verzekerde inbewaringstelling
De curator in faillissementen van meerdere besloten vennootschappen was in eerste aanleg geslaagd in het verkrijgen van een verzekerde inbewaringstelling van verweerder, welke later door de rechtbank werd opgeheven. De curator stelde hoger beroep in tegen deze opheffing, maar trok dit beroep vervolgens in.
Verweerder verzocht daarop om proceskostenveroordeling van de curator, omdat hij aanzienlijke kosten had gemaakt ter voorbereiding van het verweer tegen het omvangrijke beroepschrift. De curator voerde aan dat een proceskostenveroordeling ten laste van de faillissementsboedel terughoudend moet worden toegepast.
Het hof overwoog dat de intrekking van het hoger beroep gelijkstaat aan het verminderen van het verzoek tot nihil, wat op grond van artikel 249 lid 2 RvPro leidt tot proceskostenveroordeling. Gezien de aard van het gijzelingsverzoek en het feit dat verweerder al een verweerschrift had ingediend zonder dat informatie was verstrekt, achtte het hof een proceskostenveroordeling op zijn plaats.
Het hof veroordeelde de curator in de proceskosten van €1.074, vastgesteld volgens het liquidatietarief II, en verklaarde hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De beschikking werd op 2 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Curator wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld in proceskosten van €1.074 aan zijde verweerder.
mr. Jan van der Helin zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Megahome.nl B.V., NPB Beheer B.V., Megahome.nl Beheer B.V., Megahome.nl Grond B.V., Mega Bouwbedrijf B.V., NPB Bouwbedrijf B.V. en NPB Onroerend Goed B.V.,
verzoeker,
hierna: de curator,
advocaat: mr. H. Versluis,
en
[verweerder],
wonende te [A] ,
verweerder,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: mr. F.H.H. Sijbers,
1.Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 17 februari 2020 heeft de rechtbank Overijssel op verzoek van de curator de in verzekerde bewaringstelling van [verweerder] bevolen. Deze beschikking is op 9 maart 2020 ten uitvoer gelegd. Bij beschikking van 10 maart 2020 heeft de rechtbank [verweerder] ontslagen uit de verzekerde inbewaringstelling.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Bij ter griffie van het hof (per fax op) 13 maart 2020 en (per gewone post op) 16 maart 2020 ingekomen verzoekschrift is de curator in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2020. De curator verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en te verklaren dat de verzekerde inbewaringstelling van [verweerder] , gelet op de (inhoud van de) beschikking van de rechtbank van 17 februari 2020, rechtmatig is.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken. Het hof heeft eveneens kennis genomen van het verweerschrift van 27 mei 2020 van [verweerder] , met bijlagen.
2.3
Bij (fax)brief van 3 juni 2020 heeft de curator het ingestelde hoger beroep ingetrokken.
2.4
Bij (fax)brief van 5 juni 2020 heeft [verweerder] het hof verzocht om de curator te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
2.5
Bij (fax)brief van 16 juni 2020 heeft de curator verweer gevoerd tegen het verzoek om een proceskostenveroordeling.
2.6
Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald op heden.
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1
Nu de curator het hoger beroep tegen de beschikking van 10 maart 2020 heeft ingetrokken, zal het hof hem daarin niet-ontvankelijk verklaren. Daarmee gaat het in deze zaak enkel nog om de vraag of een proceskostenveroordeling ten nadele van de curator moet worden uitgesproken. [verweerder] heeft om veroordeling van de curator in de kosten van de procedure verzocht omdat hij stelt dat hij in het kader van het verweer aanzienlijke kosten heeft moeten maken ter voorbereiding van de zitting. Het omvangrijke beroepschrift is bestudeerd en daarop is bij verweerschrift gereageerd. De curator heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat het verzoek van [verweerder] dient te worden afgewezen, nog daargelaten dat een rechter met betrekking tot een proceskostenveroordeling ten laste van de failliet of de boedel daartoe terughoudendheid dient te betrachten. De curator verwijst daarbij naar de beschikking van de Hoge Raad van 15 december 2017 [1] .
3.2
Het hof is van oordeel dat er om de navolgende redenen in dit geval aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
3.3
In de door de curator vermelde beschikking van 15 december 2017 heeft de Hoge Raad (in r.o. 3.4.1) geoordeeld dat artikel 362 lid 2 FaillissementswetPro niet aan in de weg staat dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 289 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en met overeenkomstige toepassing van art. 362 RvPro ook in hoger beroep een uitspraak op een verzoek ingevolge de Faillissementswet een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. Het is daarbij volgens de Hoge Raad aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt overgelaten of hij in het gegeven geval tot een zodanige veroordeling aanleiding vindt, waarbij de Hoge Raad ook overweegt dat als het gaat om een proceskostenveroordeling ten laste van de failliet of de boedel, de rechter met betrekking daartoe terughoudendheid dient te betrachten. In zijn uitspraak van 28 september 2018 [2] heeft de Hoge Raad zijn oordeel uit 2017 herhaald.
3.4
In het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is de intrekking van een verzoek niet expliciet geregeld. Wel is de verzoeker op grond van artikel 283 RvPro bevoegd om, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. Daaronder kan ook worden begrepen het verminderen van het verzoek tot nihil, hetgeen neerkomt op een intrekking van het verzoek. Het ligt naar het oordeel van het hof dan in de rede om de verzoeker in het laatste geval overeenkomstig artikel 249 lid 2 RvPro te veroordelen in de door de verweerder gemaakte kosten. Steun hiervoor vindt het hof in de redactie van artikel 283 RvPro zoals opgenomen in de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Staatsblad 2016, 288), volgens welke wet (het op dit moment nog niet van kracht zijnde) artikel 283 alsPro volgt komt te luiden:
“1. Zolang de rechter nog niet heeft bepaald binnen welke termijn hij de eindbeschikking zal geven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 vanPro overeenkomstige toepassing.
2. De verzoeker kan zijn verzoek intrekken, tenzij een belanghebbende een tegenverzoek of tegenvordering heeft ingesteld. De artikelen 249, tweede en derde lid, en 250 zijn van overeenkomstige toepassing.”
3.5
Het hof is van oordeel dat de in acht te nemen terughoudendheid met betrekking tot een proceskostenverdeling in dit geval niet aan toewijzing in de weg staat. Het verzoek tot (faillissements-)gijzeling is een ingrijpend verzoek dat, bij toewijzing, diep ingrijpt in het leven van een persoon. Om die reden zal iemand die geconfronteerd wordt met een tegen hem gericht gijzelingsverzoek zich, zoals ook in dit geval, genoodzaakt zien om verweer te voeren en daartoe de bijstand van een advocaat in te roepen. Nu de intrekking van het verzoek plaatsvond nadat al een verweerschrift door [verweerder] was ingediend en de intrekking er (blijkens de brief van de curator van 16 juni 2020) bovendien niet in is gelegen dat [verweerder] hangende de procedure de verlangde informatie aan de curator heeft verschaft, ziet het hof aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3.6
Het hof zal de curator daarom veroordelen in de door [verweerder] gemaakte proceskosten, welke kosten worden begroot op € 1.074,-- (1 punt x het liquidatietarief II).
4.De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de curator niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt de curator in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 1.074,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.C. Frankena, B.J. Engberts en H. Wammes, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. H.L. Wattel, die deze beschikking op 2 juli 2020 in het openbaar heeft uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.