Uitspraak
gevestigd te Geesthacht, Duitsland,
wonende te Winterswijk,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de vennootschap naar Duits recht, Brammer, cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel en het daarop volgende hoger beroep. Brammer verzocht de curator te verplichten tot onderhandelingen over aansprakelijkstelling van beleidsbepalers en de verdeling van kosten en opbrengsten. De rechter-commissaris en de rechtbank wezen dit verzoek af en veroordeelden Brammer in de proceskosten van de curator, uitvoerbaar bij voorraad.
Brammer stelde in cassatie dat de proceskostenveroordeling ontbrak aan een wettelijke grondslag en dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad onrechtmatig was. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie, met name HR 11 april 2008, waarin werd bevestigd dat ook bij verzoeken op grond van de Faillissementswet een proceskostenveroordeling mogelijk is op basis van art. 362 Rv Pro in verbinding met art. 289 Rv Pro, en dat deze ook uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten ongegrond zijn en dat de eerdere rechtspraak waarin dit werd betwist, is verlaten. De Hoge Raad wees erop dat terughoudendheid geboden is bij kostenveroordelingen ten laste van failliet of boedel, maar dat dit niet aan de orde was in deze procedure. Het cassatieberoep werd verworpen en Brammer werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de proceskostenveroordeling en uitvoerbaarverklaring bij voorraad worden bevestigd.