De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning aan [a-straat] 18 te [Z] per waardepeildatum 1 januari 2017 vast op €385.000 voor het kalenderjaar 2018. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens het digitale onderzoek ter zitting op 16 juni 2020 werd vastgesteld dat de woning een hoekwoning is uit 1983 met een gebruiksoppervlakte van 143 m2 en een perceel van 395 m2. Het geschil betrof de juiste waarde van de woning per waardepeildatum. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €338.521 voor, terwijl de heffingsambtenaar de waarde van €385.000 handhaafde.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix van referentieobjecten in dezelfde of aangrenzende wijken. Het Hof oordeelde echter dat deze matrix onvoldoende aannemelijk maakte dat de waarde niet te hoog was, mede vanwege verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte en de ouderdom van de referentieverkopen. Belanghebbende bracht een vergelijkbaar referentieobject aan, dat recentelijk voor €395.000 was verkocht, wat het Hof relevant achtte.
Het Hof stelde vast dat geen van beide partijen de door hen bepleite waarde voldoende aannemelijk had gemaakt. Daarom stelde het Hof de waarde in goede justitie vast op €365.000. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.