ECLI:NL:GHARL:2020:5545

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.589
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen administratieve sanctie wegens niet volgen voorsorteerstrook

De betrokkene maakte bezwaar tegen een administratieve sanctie van €230,- opgelegd wegens het niet volgen van de richting op een voorsorteerstrook op de Rijksweg N33 in Assen. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat onvoldoende gelegenheid was gegeven om schriftelijk nadere gronden in te dienen en dat de ambtenaar die de sanctie oplegde niet bevoegd was.

Het hof stelde vast dat de gemachtigde vanaf 6 november 2017 voldoende gelegenheid had gekregen om schriftelijk gronden aan te vullen, en dat de hoorzitting op 19 december 2017 plaatsvond waarbij mondeling toelichting mogelijk was. De kantonrechter had ten onrechte geoordeeld dat de bevoegdheid van de medewerker die hoorde niet relevant was, maar het hof oordeelde dat er geen concrete feiten waren die aan de bevoegdheid twijfelden.

Verder verwierp het hof het verweer dat de ambtenaar in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld door eerst een waarschuwing toe te zeggen en later een sanctie op te leggen. De sanctie was terecht opgelegd en de gedraging was voldoende vastgesteld. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen de administratieve sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.240.589/01
CJIB-nummer
: 210140064
Uitspraak d.d.
: 15 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 4 mei 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat hij van de officier van justitie niet middels een eenduidig geformuleerde brief een redelijke termijn heeft gekregen om schriftelijk nadere gronden in te dienen. De kantonrechter heeft dit niet onderkend.
2. Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast. De gemachtigde heeft namens de betrokkene administratief beroep ingesteld en in het administratief beroepschrift verzocht om een termijn voor het indienen van (nadere) gronden na ontvangst van het zaakoverzicht, een foto van de gedraging en documentatie waaruit de bevoegdheid van de ambtenaar voortvloeit. Ook is verzocht om een hoorzitting. Bij brief van 6 november 2017 bericht de officier van justitie de gemachtigde dat hij tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Met deze brief zijn aan de gemachtigde de op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt, in dit geval het zaakoverzicht. Verder wordt de gemachtigde met deze brief verzocht aan te geven of hij in persoon of telefonisch gehoord wil worden en wanneer. Bij brief van 17 november 2017 geeft de gemachtigde aan niet akkoord te gaan met het voorstel de gronden mondeling in te dienen. Uit bewijsoogpunt en ter verantwoording richting cliënten dienen de gronden schriftelijk ingediend te worden, aldus de gemachtigde. Op de schriftelijke gronden kan mondeling een toelichting worden gegeven. De gemachtigde verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld nadere gronden in te dienen. Bij brief van 30 november 2017 geeft de officier van justitie, in reactie op de brief van de gemachtigde, aan dat de gemachtigde de gronden schriftelijk of mondeling nader kan aanvullen en dat hij hiertoe de gelegenheid heeft tot het moment waarop de hoorzitting plaatsvindt. Verder wordt vermeld dat de hoorzitting staat gepland op 12 december 2017. Bij brief van 7 december 2017 verzoekt de gemachtigde nogmaals in de gelegenheid te worden gesteld nadere gronden in te dienen. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de hoorzitting op 19 december 2017 heeft plaatsgevonden.
3. Het is vaste rechtspraak dat een termijn om de gronden aan te vullen een redelijke dient te zijn. Uitgangspunt is dat een termijn van vier weken een redelijke termijn is. Of een termijn in een specifieke zaak al dan niet als redelijk kan worden beschouwt, hangt af van de omstandigheden van het geval. De gegeven termijn in de brief van 30 november 2017 is weliswaar korter dan vier weken, maar de gemachtigde is reeds bij brief van 6 november 2017, en daarmee binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld zijn gronden aan te vullen. Bij brief van 6 november 2017 zijn aan de gemachtigde de stukken verstrekt en is aangegeven dat de gemachtigde tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Een redelijke uitleg van deze brief brengt mee dat de gemachtigde tot de hoorzitting in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie – schriftelijk – aan te vullen. De officier van justitie heeft de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen.
4. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden. Het standpunt van de kantonrechter komt er in feite op neer dat iedere willekeurige medewerker, bevoegd of niet, de betrokkene kan horen. Een dergelijke rechtsopvatting kan niet voor juist worden aanvaard. Een medewerker dient gemandateerd te zijn om te horen en daarvan is niet gebleken.
5. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld het administratief beroepschrift toe te lichten in een hoorzitting. In het dossier bevindt zich een verslag van de telefonische hoorzitting op 19 december 2017. De gemachtigde heeft tijdens deze hoorzitting aangevoerd dat niet is gebleken dat de medewerker bevoegd is om te horen, nu ondanks zijn verzoeken hiertoe, geen stukken zijn overgelegd waaruit de bevoegdheid blijkt. De gemachtigde heeft aangegeven zijn verzoek tot horen te handhaven, maar wel eerst nadat bekend is dat de betrokken medewerker bevoegd is.
6. De kantonrechter heeft overwogen dat niet relevant is of de betreffende medewerker bevoegd was om te horen. Dat is niet juist. Een medewerker die namens de officier van justitie een betrokkene hoort, dient bevoegd te zijn. Dit betreft een motiveringsgebrek dat zich leent voor verbetering van gronden. In zijn algemeenheid mag er namelijk van worden uitgegaan dat een medewerker bevoegd is. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Daarvan is niet gebleken (vgl. het arrest van het hof van 23 april 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:3606).
7. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord met de (telefonische) hoorzitting op 19 december 2017. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was de officier van justitie niet gehouden (voorafgaand aan de hoorzitting) stukken te overleggen waaruit de bevoegdheid van de medewerker blijkt. De gemachtigde had tijdens deze hoorzitting zijn beroepschrift kunnen toelichten. Dat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid komt voor zijn rekening. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van schending van de hoorplicht.
8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 augustus 2017 om 17:42 uur op de Rijksweg N33 in Assen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
9. De gemachtigde voert hiertegen aan dat de ambtenaar niet bevoegd was de sanctie op te leggen. Zonder mandaatbesluit valt niet in te zien waaraan [B] zijn of haar bevoegdheid ontleent om de ambtenaar te beëdigen. Er dient een mandaatbesluit voorhanden te zijn waarin de minister van BZK de heer of mevrouw [B] mandateert om uit zijn naam de ambtenaar te beëdigen. Dit mandaatbesluit staat niet op internet. De korpschef is niet bereid om Wob-verzoeken in behandeling te nemen. Het is daarom niet mogelijk om het beroep met relevante bewijsstukken te onderbouwen, zoals de kantonrechter eist. Verder voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar drie sancties aan de betrokkene heeft opgelegd. Ten aanzien van de onderhavige zaak heeft de ambtenaar geen aankondiging van beschikking overhandigd. Bij de staandehouding heeft de ambtenaar verklaard dat het bij een waarschuwing bleef. De betrokkene was dan ook zeer verbaasd over de onderhavige beschikking. De betrokkene acht het in strijd met het vertrouwensbeginsel om eerst toe te zeggen dat het bij een waarschuwing blijft, maar vervolgens toch een sanctie op te leggen.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de betrokkene als bestuurder gebruik maakte van de voorsorteerstrook met een pijl die wees in de richting rechts en dat de betrokkene geen gevolg gaf aan deze op de voorsorteerstrook aangegeven richting. De betrokkene reed in de richting Assen Centrum. Ik zag dat deze overtreding plaatsvond ter hoogte van de kruising/splitsing N33/Haarweg/A28. Rechtdoor richting A28 Hoogeveen, rechtsaf richting A28 Groningen of Haarweg Assen.
Tevens geverbaliseerd voor 132 km/h in plaats van 100 km/h op de N33. Bestuurder reed met een nog steeds te hoge snelheid een voertuig aan de rechterzijde voorbij terwijl het ingehaalde voertuig al op de linker rijstrook had voorgesorteerd om naar de A28 richting Hoogeveen af te slaan. Dit was ook de oorspronkelijke rijstrook van betrokken bestuurder. Bestuurder haalde rechts in, over de rijstrook richting A28 Groningen. Beide rijstroken waren middels blokmarkering van elkaar gescheiden. Dit na het inhalen veranderde bestuurder weer van rijstrook om zijn weg te vervolgen richting A28 Hogeveen. ”
12. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 23 december 2019 (gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797) is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele stelling van de gemachtigde dat het mandaatbesluit niet beschikbaar is op de website van de politie, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Dat een Wob-verzoek van de gemachtigde om het betreffende stuk niet in behandeling is genomen, doet een dergelijke twijfel ook niet ontstaan. Het hof verwerpt het verweer dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd niet bevoegd is.
13. Het hof verwerpt ook het verweer van de gemachtigde dat de ambtenaar in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door toe te zeggen een waarschuwing te geven, maar desondanks een sanctie op te leggen. De ambtenaar verklaart dat hij een sanctie heeft opgelegd voor de onderhavige zaak en daarnaast een sanctie heeft opgelegd voor een snelheidsovertreding. De enkele, niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de ambtenaar heeft toegezegd dat het in de onderhavige zaak bij een waarschuwing zou blijven, is onvoldoende om aan te nemen dat deze toezegging is gedaan door de ambtenaar. Het enkele feit dat geen aankondiging van beschikking is verstrekt – als dit al zo zou zijn - maakt niet dat een betrokkene er vanuit mag gaan dat geen sanctie wordt opgelegd.
14. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat er geen redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.