Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, ouders van een in 2018 geboren minderjarige, zijn in geschil over de uitoefening van het ouderlijk gezag. De rechtbank had hen gezamenlijk gezag toegekend, maar de moeder wenst dit alleen uit te oefenen. De vader had een verzoek ingediend voor gezamenlijk gezag en een zorgregeling, waarvan hij het verzoek tot zorgregeling later introk, maar niet het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Het hof overweegt dat ouders niet vrij zijn om het gezag naar eigen wens te regelen, maar dat het verzoek tot gezamenlijk gezag moet worden getoetst aan artikel 1:253c BW. Uit de feiten blijkt dat de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening vanwege een verstoorde relatie met ruzies, bedreigingen en geweld, en dat de vader zich heeft teruggetrokken uit het leven van het kind.
De raad voor de kinderbescherming en de rechtbank hadden hulpverlening geadviseerd, maar deze is niet gevolgd. Het hof oordeelt dat het in het belang van het kind is het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen en vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze het gezamenlijk gezag betreft.
Daarnaast wijst het hof een informatieregeling toe op grond van artikel 1:377b BW, waarbij de moeder verplicht wordt de vader maandelijks schriftelijk te informeren over de gezondheid en ontwikkeling van het kind, en vanaf vier jaar vier keer per jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af en stelt een informatieregeling vast waarbij de moeder de vader schriftelijk informeert over de gezondheid en ontwikkeling van het kind.