ECLI:NL:GHARL:2020:58

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2020
Publicatiedatum
6 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.200.608/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over aanwezigheid deugdelijke bebording bij snelheidsovertreding met vaste flitspaal

Deze tussenuitspraak betreft hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een snelheidsovertreding vastgesteld met een vaste flitspaal. De betrokkene werd een boete opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid op een provinciale weg. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat er geen deugdelijke bebording aanwezig was die de snelheidslimiet aangaf, wat essentieel is voor de geldigheid van de sanctie.

Het hof benadrukt dat bij betwisting van de aanwezigheid van bebording bij geautomatiseerde snelheidsovertredingen, dit moet worden onderbouwd met stukken die aantonen dat de bebording ten tijde van de constatering wél aanwezig was. In deze zaak ontbreken dergelijke stukken. Omdat het arrest van 25 september 2018, dat deze jurisprudentie bevestigt, nog niet was gewezen ten tijde van de eerdere procedure, geeft het hof de advocaat-generaal de gelegenheid om aanvullende informatie over de bebording te overleggen.

Daarnaast oordeelt het hof dat de gemachtigde geen recht heeft op afschriften van stukken omdat hij niet binnen de gestelde termijn om inzage en afschriften heeft gevraagd. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de advocaat-generaal het dossier heeft aangevuld.

Uitkomst: De beslissing wordt aangehouden totdat de advocaat-generaal aanvullende stukken over de bebording heeft overgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.200.608/01
CJIB-nummer
: 191796210
Uitspraak d.d.
: 6 januari 2020
Tussenarrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de griffier van de rechtbank heeft geweigerd hem afschriften te verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde had uitdrukkelijk om afschriften gevraagd.
2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid, (destijds: vierde lid) van de Wahv (vergelijk het arrest van dit hof van 4 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5606).
3. Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
4. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde er bij brief van 16 augustus 2016 op is gewezen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende een in die brief vermelde termijn ter inzage liggen op de griffie van de rechtbank. Aldus is uitvoering gegeven aan de in voormeld artikel besloten liggende informatieverplichting (vgl. het arrest van het hof van 20 september 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:7674). Nu niet is gesteld of gebleken dat de gemachtigde binnen de termijn van de terinzagelegging van de stukken heeft verzocht om verstrekking van afschriften, is er geen sprake van schending van het recht op kennisname van de stukken. Het verweer faalt.
5. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene, als kentekenhouder, een sanctie is opgelegd van € 87,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 11 km/u (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 augustus 2015 om 09:53 uur op de N57 provinciale weg (Oude Westerloosedijk - Vissersweg) in Goedereede met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. De gemachtigde voert onder meer aan dat geen sprake was van deugdelijke bebording op het traject. Normaliter geldt buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 80 km per uur. Volgens de gemachtigde is de betrokkene geen bebording gepasseerd waarop een afwijkende maximumsnelheid is aangegeven.
7. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betwisting van de aanwezigheid van (deugdelijke) bebording bij snelheidsovertredingen die op geautomatiseerde wijze worden vastgesteld, slechts kan worden weerlegd aan de hand van stukken – bijvoorbeeld schouwrapporten – die aannemelijk maken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was (vgl. het arrest van het hof van 25 september 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl, vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:8537).
8. In de onderhavige zaak is de gedraging blijkens het zaakoverzicht op geautomatiseerde wijze vastgesteld door middel van geijkte radarapparatuur die in een vaste flitspaal is gemonteerd.
9. Het hof stelt vast dat de verweren van de gemachtigde op 19 mei 2017 in afschrift aan de advocaat-generaal zijn toegestuurd. Aangezien op dat moment voormeld arrest van
25 september 2018 nog niet was gewezen, ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen om - voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke - informatie met betrekking tot de aanwezigheid van deugdelijke bebording in het geding te brengen.
10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het gerechtshof:
stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid voormelde informatie bin
nen vier weken na dagtekening van dit arrestover te leggen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.