Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot 18 december 2020. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de verlenging te vernietigen en het verzoek tot verlenging af te wijzen.
Het hof heeft het dossier en de mondelinge behandeling onderzocht, waarbij ook de minderjarige zelf is gehoord. De moeder stelde dat de ontwikkelingsbedreiging niet langer aanwezig is, dat de hulpverlening goed wordt geaccepteerd en dat het contact met de gezinsvoogd (GI) onvoldoende is. De minderjarige verblijft sinds september 2018 bij zijn grootouders en doet het goed op school en sociaal.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke zorgen over agressie, gameverslaving en depressieve gevoelens niet meer aanwezig zijn. De GI kon onvoldoende zicht op de minderjarige aantonen, maar dat was volgens het hof geen reden om de ondertoezichtstelling voort te zetten. Ook het contactherstel met de vader was niet gerealiseerd en de minderjarige wenst geen contact. Daarom is niet langer sprake van een situatie die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt.
Het hof vernietigde de verlenging vanaf de datum van de beschikking en wees het verzoek van de GI tot verlenging af. De eerdere verlenging tot die datum werd bekrachtigd. De ondertoezichtstelling werd daarmee opgeheven.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt met ingang van de datum van de beschikking opgeheven.