De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland over de zorgregeling en kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De zorgregeling bepaalt de verblijfsregeling van de kinderen bij de ouders, en de alimentatie regelt de financiële bijdrage van de vader aan de verzorging en opvoeding.
De man betwistte de vakantieverdeling en de hoogte van de alimentatie, mede vanwege zijn verminderde inkomen door de coronacrisis. De vrouw voerde verweer en stelde dat de man een structureel hoger inkomen heeft, terwijl zij zelf vanwege een borderline persoonlijkheidsstoornis beperkt is in haar verdiencapaciteit.
Het hof oordeelde dat de zorgregeling moet worden aangepast met een duidelijke, vaste verdeling van vakanties en een dwangsom om naleving af te dwingen, omdat de ouders niet in staat zijn tot flexibele afspraken. De alimentatie is vastgesteld op basis van een forfaitair jaarinkomen van de man van €43.000 bruto, rekening houdend met de coronacrisis, en een bijstandsniveau voor de vrouw vanwege haar beperkingen.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld: de kinderen verblijven om de week in het weekend bij de man en volgens een gedetailleerde vakantieverdeling; de man betaalt €216 per kind per maand aan alimentatie vanaf 21 juni 2019, oplopend naar €221,40 per kind per maand vanaf 1 januari 2020. De proceskosten worden gecompenseerd.