Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoek in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, gehuwd in 1997 en gescheiden bij beschikking van 25 november 2019, zijn in hoger beroep verwikkeld over de vraag of een letselschade-uitkering die de man ontving na een verkeersongeval in 2014 tot de gemeenschap van goederen behoort of aan hem persoonlijk verknocht is. De rechtbank had geoordeeld dat zolang niet duidelijk is welke schadecomponenten de uitkering omvat, deze in de gemeenschap valt.
De man stelde dat op grond van artikel 1:94 lid 3 BW Pro verknochtheid kan worden aangenomen vanwege de aard van het goed en maatschappelijke opvattingen, en dat toekomstige schade zoals blijvend arbeidsverlies ook aan hem persoonlijk toekomt. De vrouw betwistte dat de uitkering uitsluitend op de man ziet en steunde het oordeel van de rechtbank.
Het hof overwoog dat verknochtheid afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en dat zonder concrete specificatie van de schadecomponenten niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre verknochtheid bestaat. De man had nagelaten duidelijk te stellen welke schade(n) de vergoeding betreft, ondanks dat voorschotten waren betaald en hij werd bijgestaan door een expert.
Daarom faalden de grieven en werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof stelde dat de vraag of de vergoeding ten tijde van de peildatum nog te identificeren was, geen verdere beoordeling behoeft. Partijen verzochten niet om proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat zonder specificatie van schadecomponenten de letselschade-uitkering in de gemeenschap van goederen valt.