ECLI:NL:GHARL:2020:6381

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 augustus 2020
Publicatiedatum
14 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.256.338/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctiebeschikking snelheidsovertreding ondanks onduidelijkheid meetmethode

De betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 11 km/u op 7 mei 2017. De betrokkene en zijn gemachtigde voerden aan dat de overtreding niet juist was vastgesteld en stelden vragen over de gebruikte meetapparatuur, waarbij sprake zou zijn van tegenstrijdige informatie tussen radar- en lusdetectie.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de sanctiebeschikking vernietigd, maar het hoger beroep van het Openbaar Ministerie richtte zich tegen deze beslissing. Het hof oordeelde dat ondanks de onduidelijkheid over de meetmethode, deze onduidelijkheid was opgehelderd en niet tot vernietiging van de sanctiebeschikking hoefde te leiden.

Het hof verwierp het verweer dat de betrokkene zich niet goed kon verdedigen vanwege het tijdsverloop, omdat de inleidende beschikking tijdig was toegestuurd met voldoende informatie over de overtreding. Ook het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het hof bevestigde daarmee de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.256.338/01
CJIB-nummer
: 207334286
Uitspraak d.d.
: 14 augustus 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 22 januari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2020 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie van deze brief is aan de advocaat-generaal toegestuurd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 93,- voor: “overschrijding van de maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 mei 2017 om 19:56 uur op de Europaweg in Helmond met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene naar eigen zeggen niet te hard heeft gereden. Hij kan er verder weinig over zeggen, aangezien de gedraging inmiddels anderhalf jaar geleden is vastgesteld. De gemachtigde vraagt zich af hoe de betrokkene zich gelet op het tijdsverloop kan verdedigen, te meer nu de betrokkene soms niet eens meer weet wat zich twee weken geleden heeft afgespeeld. Dit mag en kan niet in Nederland, aldus de gemachtigde. Bij brief van 16 juli 2020 heeft de gemachtigde hier nog aan toegevoegd dat in het zaakoverzicht staat vermeld dat de overtreding werd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur die is gemonteerd in een flitspaal, terwijl het in deze zaak gaat om een lusmeting. Dat is te zien aan de lussen op het wegdek op de bijgevoegde foto, de vijf streepjes die op de foto zichtbaar zijn en de omstandigheid dat er twee foto’s zijn gemaakt met een intervaltijd. Dit betekent dat er sprake is van tegenstrijdige informatie in het zaakoverzicht, zodat de inleidende beschikking in de lijn van de arresten van het hof van 17 december 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10814, en van 16 januari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:384, niet in stand kan blijven. Tot slot stelde gemachtigde zich op het standpunt dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding verkeerd heeft berekend.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding werd langs elektronische weg geconstateerd en digitaal vastgelegd. (…)
De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 84 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 81 km per uur.
Toegestane snelheid : 70 km per uur.
Overschrijding met : 11 km per uur. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
5. In het dossier bevinden zich twee foto’s met betrekking tot voormelde gedraging. Daarop is een voertuig met voormeld kenteken te zien. De bij de foto vermelde gegevens stemmen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
6. Het hof ziet in het niet nader onderbouwde stelling dat de betrokkene naar eigen zeggen niet te hard heeft gereden geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bovengenoemde gegevens. Voor zover nog wordt betoogd dat de betrokkene zich vanwege het tijdsverloop niet kan verdedigen, kan het hof de gemachtigde niet volgen. Immers, de gedraging dateert van 7 mei 2017 en de inleidende beschikking is blijkens het zaakoverzicht op 18 mei 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De inleidende beschikking bevat onder meer het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging, zodat het voor de betrokkene vanaf dat moment (voldoende) duidelijk moet zijn geweest op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen. Dat dit het geval is, blijkt overigens ook wel uit hetgeen de gemachtigde in de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter naar voren heeft gebracht. De klacht faalt.
7. Voor zover de gemachtigde in het schrijven van 16 juli 2020 in aanvulling op het voorgaande wijst op de inhoud van het zaakoverzicht en de daarin besloten onduidelijkheid met betrekking tot de vraag of gebruik is gemaakt van radardetectie dan wel lusdetectie, overweegt het hof dat er geen misverstand bestaat omtrent de wijze waarop de controle is uitgevoerd. Uit het schrijven van de gemachtigde volgt dat het voor hem duidelijk is op welke wijze de constatering van de gedraging heeft plaatsgevonden, te weten met behulp van een lusmeting. Nu er voor de gemachtigde op dit punt geen onduidelijkheid bestaat gaat de verwijzing naar de door hem aangehaalde arresten van het hof niet op. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat een meer specifieke beschrijving in het zaakoverzicht duidelijker was geweest, maar tot vernietiging van de inleidende beschikking hoeft dat niet te leiden. De klacht faalt.
8. Op basis van de informatie in het dossier staat vast dat de gedraging is verricht.
9. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.
10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.