ECLI:NL:GHARL:2020:64

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2020
Publicatiedatum
6 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.201.052/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RVV 1990Art. 6:17 AwbArt. 11 WahvArt. 12 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens niet rechts houden op fietspad

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €90 wegens het niet zoveel mogelijk rechts houden op een fietspad, waarbij hij op het fietspad aan de overzijde van de weg reed, bedoeld voor verkeer in de andere rijrichting.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de betrokkene niet was opgeroepen voor de zitting en dat het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. Het hof oordeelde dat de gemachtigde wel degelijk correct was opgeroepen en dat het beroep tegen de inleidende beschikking een geldige beroepsgrond bevatte, waardoor de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.

De inhoudelijke bezwaren tegen de sanctie werden door het hof ongegrond verklaard, omdat de betrokkene inderdaad niet op het juiste fietspad reed, wat een overtreding is van artikel 3, eerste lid, RVV 1990. Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard, de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, maar het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.201.052/01
CJIB-nummer
: 188857372
Uitspraak d.d.
: 6 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat appellant, de betrokkene, niet is opgeroepen voor de zitting bij de kantonrechter.
2. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv schrijft voor dat de kantonrechter, alvorens op de zaak te beslissen, partijen in de gelegenheid stelt om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.
3. Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de post in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van Pro de Awb).
4. In het dossier bevinden zich aan de gemachtigde gerichte en correct geadresseerde oproepingsbrieven d.d. 9 juni 2016 en 26 juli 2016, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor, respectievelijk, de zittingen van de kantonrechter van 6 juli 2016 en 12 augustus 2016. Door de gemachtigde is de ontvangst van deze brieven in eerste instantie niet betwist. Na afloop van de schriftelijke fase heeft de gemachtigde in een afzonderlijke brief meegedeeld dat overal waar door hem de term ‘appellant’ is gebruikt, ook ‘gemachtigde van appellant’ moet worden gelezen.
5. Het hof stelt vast dat het hoger beroepschrift niet anders gelezen kan worden dan dat de betrokkene, die door de gemachtigde ‘appellant’ wordt genoemd, de oproep voor de zitting(en) niet heeft ontvangen en dat er niet over wordt geklaagd dat de gemachtigde de oproep voor de zitting(en) niet heeft ontvangen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in het beroepschrift onderscheid wordt gemaakt tussen ‘appellant’ en ‘gemachtigde’ en dat van de gemachtigde, als professioneel rechtsbijstandverlener, mag worden verwacht dat hij zich adequaat uitdrukt en de betekenis kent van de door hem gehanteerde terminologie. Dit brengt mee dat het hof hetgeen wordt aangevoerd beschouwt als een eerst thans naar voren gebrachte stelling dat de gemachtigde de oproep voor de zitting niet heeft ontvangen. Het hof acht deze (enkele) stelling niet geloofwaardig en zal om die reden hieraan voorbijgaan.
6. Gelet op het voorgaande is voldaan aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wahv, zodat het hof de zaak niet op een zitting zal behandelen.
7. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich verder op het standpunt dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan de officier van justitie heeft overwogen, bevatte het administratief beroepschrift namelijk wél een beroepsgrond, aldus de gemachtigde.
8. Het verweer treft doel. In het administratief beroepschrift d.d. 3 juni 2015 is betwist dat de gedraging is verricht. Dat is een beroepsgrond (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10365). De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dat is door de kantonrechter miskend. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissingen kunnen onbesproken blijven.
9. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou op de fiets zijn verricht op 27 februari 2015 om 22:59 uur op de Juliana van Stolberglaan in
‘s-Gravenhage.
10. De gemachtigde voert in de eerste plaats aan dat het dossier een (aanvullend) proces-verbaal van de ambtenaar behoort te bevatten, zodat kan worden nagegaan of de gegevens in het zaakoverzicht daarmee overeenkomen. Verder wordt betwist dat de gedraging is verricht. Het gaat om een brede laan die in het midden wordt gescheiden door een trambaan. Aan beide zijden is een rijstrook voor gemotoriseerd verkeer en een fietspad. Op de rijstrook voor gemotoriseerd verkeer wordt met pijlen de rijrichting aangeduid. Op het fietspad ontbreken deze markeringen. Het is de betrokkene een raadsel hoe de ambtenaar erbij komt dat slechts in één richting mag worden gereden. Dat is immers nergens met bebording aangegeven. Ter onderbouwing verwijst de gemachtigde naar twee meegestuurde foto’s die van Google Street View afkomstig zijn.
11. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. Geen rechtsregel schrijft voor dat het dossier een proces-verbaal moet bevatten. Het verweer op dat punt mist dan ook doel.
12. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De betrokkene reed tegen de richting over fietspad. Tevens reed de betrokkene zonder fietsverlichting.”
13. De gedraging is een overtreding van artikel 3, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling houdt in:
‘Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.’
14. Kennelijk was ter plaatse sprake van zowel links als rechts van de weg gelegen fietspaden. De toelichting van de ambtenaar kan redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat de betrokkene niet op het voor zijn rijrichting bestemde fietspad, te weten het fietspad rechts van de rijbaan, heeft gereden, maar op het fietspad aan de overzijde van de weg, dat voor fietsverkeer in de andere rijrichting was bestemd. Daarmee heeft de betrokkene niet zoveel mogelijk rechts gehouden, zodat de gedraging vaststaat. Anders dan de gemachtigde betoogt, kan deze gedraging onafhankelijk van bebording of wegmarkeringen worden verricht.
15. De verweren tegen de inleidende beschikking treffen geen doel. Het beroep daartegen zal dan ook ongegrond worden verklaard.
16. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.