In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de politierechter inzake de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij. Veroordeelde werd eerder veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het hof heeft vastgesteld dat veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit ten minste één oogst van hennepplanten in zijn woning.
Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een standaardrapport van het Functioneel Parket Afpakken, waarbij bruto opbrengsten en kosten van twee kweekruimtes werden berekend. Na aftrek van kosten, waaronder elektriciteit, kwam het netto voordeel uit op €25.388,60. Gezien aanwijzingen dat veroordeelde niet alleen handelde, werd dit bedrag toegerekend voor een derde, zijnde €8.462,87.
De verdediging voerde aan dat de kosten voor elektriciteit in mindering moesten worden gebracht en dat veroordeelde geen voordeel had genoten. Het draagkrachtverweer werd door het hof verworpen omdat niet vaststond dat veroordeelde geen draagkracht had. Het hof legde de betalingsverplichting van €8.462,87 aan de Staat op en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 60 dagen. De eerdere beslissing werd vernietigd en de zaak werd opnieuw rechtgedaan.