ECLI:NL:HR:2007:AZ7747
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkrachtverweer bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak staat de vraag centraal wanneer en onder welke omstandigheden een draagkrachtverweer bij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met vrucht kan worden aangevoerd. De Hoge Raad bevestigt dat dit verweer in beginsel in de executiefase aan de orde moet komen, waarbij niet langer de beperking geldt dat omstandigheden zich na de uitspraak moeten hebben voorgedaan of ten tijde van de uitspraak niet bekend waren.
Het hof had het draagkrachtverweer van betrokkene verworpen omdat niet aannemelijk was dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht zou hebben. Hoewel betrokkene momenteel geen inkomen heeft en mogelijk door psychische problemen in de toekomst moeilijkheden zal ondervinden, zijn er vermogensbestanddelen aanwezig waaruit de vordering kan worden voldaan.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest echter deels vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, waardoor het bedrag van de betalingsverplichting wordt verminderd tot € 21.000. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de gewijzigde wetgeving omtrent draagkrachtverweren in ontnemingszaken.
Uitkomst: Betrokkene moet een verminderd bedrag van € 21.000 betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.