Belanghebbende en haar echtgenoot exploiteren samen een vof in informatietechnologie. Voor het jaar 2016 legde de Inspecteur een aanslag IB/PVV op met een belastbaar inkomen van €72.000, na bezwaar verminderd naar €46.765. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde dat de winst van de vof €95.842 bedroeg volgens de jaarrekening, lager dan het door de Inspecteur gehanteerde bedrag van €98.951.
Het hof oordeelt dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, waardoor de bewijslast omkeert en verzwaard wordt. De Inspecteur baseerde de aanslag op het hogere winstbedrag uit het bezwaarschrift, maar kon niet overtuigend aantonen waarom de jaarrekening niet juist zou zijn. Het hof acht de winst van €95.842 met de jaarrekening en proef- en saldibalans overtuigend aangetoond, waarbij het hogere bedrag uit 2015 kennelijk een vergissing betreft.
Op basis hiervan stelt het hof het belastbare inkomen uit werk en woning vast op €46.363 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig. De verzuimboete blijft gehandhaafd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de IB/PVV betreft. De Inspecteur wordt verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.