ECLI:NL:GHARL:2020:6907

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 augustus 2020
Publicatiedatum
3 september 2020
Zaaknummer
21-005235-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De tenlastelegging betrof bedreigingen jegens een slachtoffer en haar kinderen, geuit in gesprekken met derden.

Tijdens de terechtzitting heeft het hof vastgesteld dat verdachte de bedreigende woorden weliswaar heeft geuit en dat deze ter kennis van het slachtoffer zijn gekomen. Echter, het hof achtte niet wettig en overtuigend bewezen dat deze woorden zodanig waren dat zij bij het slachtoffer de redelijke vrees konden opwekken voor het verlies van leven of zware mishandeling, zoals vereist volgens artikel 285 Sr Pro.

Het hof nam mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij daadwerkelijk bereid of in staat is dergelijke ernstige misdrijven te plegen. De uitlatingen waren weliswaar ongepast en onfatsoenlijk en konden aanleiding geven tot gevoelens van onveiligheid, maar voldeden niet aan de strafrechtelijke criteria voor bedreiging.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging. Deze vrijspraak betekent niet dat de uitlatingen rechtmatig waren, maar dat zij niet strafbaar zijn onder de gegeven omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van bedreiging wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005235-18
Uitspraak d.d.: 27 augustus 2020
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 september 2018, met parketnummer 18-103532-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde tot een geldboete van
€ 300,--, subsidiair zes dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. D. Jakobs, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake de aan hem tenlastegelegde bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,--, subsidiair zes dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks 13 november 2017 tot en met 4 december 2017 te en in de [naam gemeente] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte - op of omstreeks 13 november 2017 in een gesprek aan een persoon, te weten [naam 1] , zijnde een collega van die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "Ik zoek [slachtoffer] wel op en zal haar en haar kinderen wat aandoen" en/of
- op of omstreeks 4 december 2017 in een gesprek aan de wijkagent [naam 2] , dreigend de woorden toegevoegd; "mijn dochtertje heeft PTSS door [slachtoffer] . ik maak haar kinderen ook kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden ter kennis van die [slachtoffer] zijn gekomen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Hieromtrent overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat het, in weerwil van verdachtes ontkenning dienaangaande, wel wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte de tenlastegelegde bewoordingen, [slachtoffer] betreffende, jegens [naam 1] respectievelijk [naam 2] heeft geuit en dat deze woorden ter kennis van die [slachtoffer] zijn gekomen. Daarmee staat evenwel nog niet vast dat de verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling zoals ten laste is gelegd en als bedoeld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is immers vereist dat de bedreiging en dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde, in dit geval [slachtoffer] , de redelijke vrees kon ontstaan dat zij dan wel haar kinderen het leven zou(den) kunnen verliezen dan wel zwaar zou(den) kunnen worden mishandeld (zie onder meer ECLI:NL:HR:2018:245). Naar het oordeel van het hof is aan dit vereiste niet voldaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking, enerzijds, de door de verdachte geuite bewoordingen als zodanig waarin niet c.q. onvoldoende concreet een aankondiging van levensbeëindiging dan wel zware mishandeling besloten ligt, en, anderzijds, de omstandigheden waaronder deze bewoordingen zijn geuit. Voor wat betreft het laatste merkt het hof op dat de verdachte een blanco strafblad heeft en dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij bereid en in staat moet worden geacht dergelijke ernstige misdrijven daadwerkelijk te begaan.
Tot slot overweegt het hof dat de vrijspraak van het ernstige delict ‘bedreiging’ niet impliceert dat de uitlatingen van de verdachte ‘dus’ als ‘rechtmatig’ hebben te gelden. De wijze waarop de verdachte, kennelijk ontevreden met de wijze waarop [slachtoffer] in haar functie als medewerkster bewonerszaken van de verhuurmakelaar (geen) gehoor gaf aan zijn wensen, daaraan uiting heeft gegeven jegens die [slachtoffer] als persoon en jegens haar kinderen, is immers niet alleen volstrekt ongepast en onfatsoenlijk, en kan, onder omstandigheden, bij die [slachtoffer] tevens aanleiding geven tot zorg aangaande haar gevoelens van veiligheid in brede(re) zin.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. W. Foppen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,
en op 27 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.