Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over het ouderlijk gezag na ontbinding van het huwelijk van partijen. De rechtbank had de moeder het eenhoofdig gezag over het kind toegewezen. De vader kwam met twee grieven in hoger beroep, stellende dat hij pas na 21 maart 2019 kennis had genomen van de beschikking en daarom tijdig in hoger beroep was gekomen.
De moeder voerde verweer dat de vader niet-ontvankelijk was omdat de beschikking op 20 juli 2017 rechtsgeldig aan hem was betekend op het adres van een daklozenopvang, waar hij verbleef. Tevens was de vader al op de hoogte van de inhoud van de beschikking op 14 januari 2019, zoals blijkt uit een brief van zijn advocaat.
Het hof oordeelde dat de vader niet tijdig hoger beroep had ingesteld binnen de wettelijke termijn van drie maanden na betekening of kennisname. Het beroep op artikel 820 Rv Pro faalde omdat dit artikel alleen ziet op de beschikking tot echtscheiding, niet op de bestreden beschikking inzake gezag. Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beschikking over het ouderlijk gezag.