Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
I. het gehuurde, bestemming, gebruik
overwegende
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of een door partijen ondertekend huurcontract betrekking heeft op één enkele huurovereenkomst of op meerdere afzonderlijke overeenkomsten voor verschillende bedrijfsruimten. Heineken stelt dat het document meerdere overeenkomsten omvat, zodat zij de huur van een specifieke bedrijfsruimte zelfstandig kan opzeggen. De wederpartij betwist dit en stelt dat het om één huurovereenkomst gaat die alleen in zijn geheel kan worden opgezegd.
Het hof overweegt dat de wettelijke regeling in artikel 7:290 BW Pro niet automatisch betekent dat elke afzonderlijk te identificeren bedrijfsruimte een aparte huurovereenkomst vormt. De kwalificatie hangt af van de redelijke verwachtingen van partijen en de omstandigheden, waaronder het gebruik en de inrichting van het gehuurde.
De tekst van de overeenkomst en de allonge, alsmede het feit dat één huurprijs is bedongen en geen mogelijkheid tot gedeeltelijke opzegging is opgenomen, wijzen erop dat partijen één huurovereenkomst zijn aangegaan. Ook het risico van onderverhuur en de gevolgen van gedeeltelijke opzegging ondersteunen deze uitleg.
Heineken's argumenten over mogelijke complicaties bij de kwalificatie als één overeenkomst worden door het hof niet gevolgd. De risicoverdeling en bescherming van huurdersrechten blijven in de hoofdhuurverhouding intact. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Heineken in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de huurovereenkomst één geheel betreft en dat Heineken niet bevoegd is tot gedeeltelijke opzegging.