ECLI:NL:GHARL:2020:7371

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 september 2020
Publicatiedatum
17 september 2020
Zaaknummer
21-000678-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring OM in vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak verdachte

In deze zaak stond de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het hoger beroep was ingesteld tegen een eerdere beslissing van de politierechter die deze vordering had afgewezen.

Tijdens de terechtzittingen heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in deze ontnemingszaak. Dit omdat verdachte bij het arrest van het hof in een gerelateerde strafzaak op dezelfde datum, 2 september 2020, volledig is vrijgesproken van alle hem tenlastegelegde feiten.

Het hof overwoog dat het wettelijke systeem, met name artikel 511e eerste lid in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, vereist dat er een veroordeling wegens een strafbaar feit moet zijn om ontvankelijk te zijn in een ontnemingsvordering. Nu verdachte is vrijgesproken, kan het OM niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Daarom vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 september 2020.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000678-17
Uitspraak d.d.: 2 september 2020
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 januari 2017 met parketnummer 18-203271-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 januari 2018, 19 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. P.T. Huisman, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. [1]
Verdachte is bij het arrest van dit hof in de strafzaak tegen verdachte (parketnummer 21-000677-17) op 2 september 2020 vrijgesproken ter zake van alle hem tenlastegelegde feiten. Het hof is derhalve van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Bosch, voorzitter,
mr. E.M.J. Brink en mr. M. Aksu, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,
en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, ro. 2.3.