ECLI:NL:GHARL:2020:7371
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring OM in vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak verdachte
In deze zaak stond de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het hoger beroep was ingesteld tegen een eerdere beslissing van de politierechter die deze vordering had afgewezen.
Tijdens de terechtzittingen heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in deze ontnemingszaak. Dit omdat verdachte bij het arrest van het hof in een gerelateerde strafzaak op dezelfde datum, 2 september 2020, volledig is vrijgesproken van alle hem tenlastegelegde feiten.
Het hof overwoog dat het wettelijke systeem, met name artikel 511e eerste lid in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, vereist dat er een veroordeling wegens een strafbaar feit moet zijn om ontvankelijk te zijn in een ontnemingsvordering. Nu verdachte is vrijgesproken, kan het OM niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Daarom vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 september 2020.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de vrijspraak van verdachte.