Deze civiele zaak betreft een geschil over de eigendom van een zeilschip dat in Duitsland is gebouwd en verkocht, en later in Nederland is vercharterd. De kernvraag is of appellant, die de financiering verzorgde en een Sicherungsübereignung ontving, eigenaar is, of geïntimeerde, die stelt het schip later via een derde in Nederland te hebben gekocht.
De zaak omvat ook een vrijwaringsprocedure waarin wordt beoordeeld of een derde aansprakelijk is voor schade die appellant aan geïntimeerde moet vergoeden wegens het tijdelijk niet kunnen verhuren van het schip. De feiten betreffen onder meer de bouw en levering van het schip, de financieringsovereenkomst, de Sicherungsübereignung, conservatoir beslagleggingen en de verkoop van het schip.
De rechtbank heeft eerder het eigendom aan geïntimeerde toegekend en de vorderingen van appellant afgewezen. Appellant is in hoger beroep gegaan met een uitgebreidere eis, waaronder afgifte van het schip en terugbetaling van reeds betaalde bedragen. Het hof acht zich nog onvoldoende voorgelicht en heeft een mondelinge behandeling gelast om nadere feiten en afspraken te onderzoeken en partijen te stimuleren tot een minnelijke oplossing.