Belanghebbende maakte bezwaar tegen de box 3-heffing 2017, waarbij de inspecteur het bezwaar deels afwees en het deel over de stelselvraag aanmerkte als massaal bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof stelde vast dat de massaal bezwaarregeling voorziet in collectieve behandeling van rechtsvragen, terwijl individuele vragen apart worden behandeld. Dit leidt tot gescheiden procedures en onduidelijkheid over de omvang van het geschil en de behandeling daarvan.
Het hof verwees naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis en constateerde dat de huidige regeling leidt tot inefficiëntie en mogelijke frustratie van het doel van massaal bezwaar. Het hof overwoog dat het aan de Minister van Financiën is om bezwaarschriften aan te wijzen als massaal bezwaar en dat de rechterlijke toetsing van die aanwijzing beperkt is.
Het hof stelde vast dat in zaken waarin zowel stelsel- als individuele vragen aan de orde zijn, de rechter beide moet behandelen, ondanks de massaal bezwaarregeling. Dit leidt tot een spanningsveld tussen doelmatigheid en rechtsbescherming. Daarom stelde het hof een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad om duidelijkheid te verkrijgen over de juiste wijze van geschilbeslechting in dergelijke gevallen.
Het geding werd geschorst in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en raadsheren, met griffier, en ondertekend door de griffier vanwege verhindering van de voorzitter.