Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning te [Z], vastgesteld op €498.000 per 1 januari 2016. De heffingsambtenaar had deze waarde en de bijbehorende aanslag OZB 2017 gehandhaafd na bezwaar en rechtbankuitspraak.
Het geschil betrof onder meer de gang van zaken bij eerdere zittingen, het ontbreken van een proces-verbaal, de vergelijkbaarheid van de gebruikte referentieobjecten, de staat van de woning en de waardestijging van 20% ten opzichte van de vorige peildatum. Het hof oordeelde dat de procedurele bezwaren geen gevolgen hadden en dat belanghebbende niet in zijn procesbelang was geschaad.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin vergelijkingsobjecten met gelijke ligging, type en kenmerken werden gebruikt. Het hof vond de vergelijkingsobjecten passend en de waardering niet te hoog, mede gelet op de toegepaste correcties en de wet van afnemende meeropbrengst.
Kleine gebreken en een hoog grondwaterpeil werden niet als reden voor een lagere waarde gezien, omdat deze omstandigheden ook bij vergelijkingsobjecten aanwezig waren en in de verkoopprijzen waren verwerkt. De waardestijging van 20% werd verklaard door de noodzaak om jaarlijks de waarde opnieuw te bepalen op basis van actuele feiten.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen griffierechtvergoeding of proceskosten toegekend.