ECLI:NL:GHARL:2020:8146

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
ISD P20/0163
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 SvArtikel 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tussentijdse toetsing voortzetting ISD-maatregel wegens te vroeg indienen

De veroordeelde heeft tweemaal verzocht om tussentijdse toetsing van de noodzaak tot voortzetting van de ISD-maatregel. Het eerste verzoek leidde tot een beslissing van de rechtbank tot voortzetting van de maatregel, welke onherroepelijk werd op 10 oktober 2019. Volgens artikel 6:6:14, tweede lid, Sv kan een volgend verzoek niet eerder dan zes maanden na deze datum worden ingediend.

Het tweede verzoek werd echter al op 10 februari 2020 ingediend, twee maanden te vroeg. Desondanks behandelde de rechtbank dit verzoek inhoudelijk en besloot opnieuw tot voortzetting van de maatregel. Tegen deze beslissing stelde de veroordeelde hoger beroep in.

Het hof stelde tijdens de zitting vast dat het verzoek duidelijk te vroeg was ingediend en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek inhoudelijk heeft behandeld. Ondanks argumenten over de COVID-19 situatie en soepelheid bij te vroeg ingediende verzoeken, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke regeling.

Daarom vernietigt het hof de beslissing van 20 maart 2020 en verklaart het de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn tweede verzoek tot tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel.

Uitkomst: Het hof verklaart het tweede verzoek tot tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel niet-ontvankelijk wegens te vroeg indienen.

Uitspraak

ISD P20/0163
Beslissing d.d. 10 september 2020
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
verblijvende in Penitentiaire Inrichting (PI) [detentieadres] ,
hierna: de veroordeelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2020, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt voortgezet.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 januari 2019, waarbij de ISD-maatregel aan de veroordeelde werd opgelegd;
  • de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2019, inhoudende dat namens de veroordeelde bij brief van 16 augustus 2016 werd verzocht om een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel, waarop werd beslist tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD- maatregel;
  • de brief van 10 februari 2020 waarbij namens de veroordeelde is verzocht om een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel;
  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van beroep van de veroordeelde van 27 maart 2020;
  • de namens de veroordeelde ingediende appelschriftuur van 22 april 2020.
Het hof heeft ter zitting van 10 september 2020 gehoord de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. V.S.J. Chorus, advocaat te Maastricht, en de advocaat-generaal mr. J.J.T.M. Pieters.

De ontvankelijkheid van het verzoek tot tussentijdse toetsing

Ingevolge artikel 6:6:14, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een veroordeelde, indien de rechter bij het oplegging van de ISD-maatregel niet beslist tot een tussentijdse toetsing dan wel beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.
Veroordeelde heeft tweemaal verzocht om de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel tussentijds te toetsen. Naar aanleiding van het eerste verzoek heeft de rechtbank op 26 september 2019 beslist tot voorzetting van de ISD-maatregel. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld. Bij brief van 10 februari 2020 heeft de raadsman van de veroordeelde opnieuw verzocht de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel tussentijds te toetsen. De rechtbank heeft dit verzoekschrift inhoudelijk behandeld ter zitting van 6 maart 2020 en op 20 maart 2020 beslist tot voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maategel. Tegen deze beslissing heeft de veroordeelde op 27 maart 2020 hoger beroep ingesteld.
Ter zitting heeft het hof de ontvankelijkheid van het verzoek tot tussentijdse toetsing aan de orde gesteld. De raadsman heeft opgemerkt dat het verzoek inderdaad te vroeg is gedaan, maar dat de rechtbank er geen punt van heeft gemaakt. Volgens hem is de bedoeling van de wetgever geweest het rechtssysteem te ontlasten. Er moeten nieuwe feiten en omstandigheden zijn en die zijn er in verband met de COVID-19-perikelen.
De advocaat-generaal heeft aangegeven dat de veroordeelde bij verandering van de situatie toegang tot de rechter moeten hebben. Het gaat hier bovendien maar om een paar weken en de Hoge Raad gaat in het algemeen soepel om met te vroeg ingediende verzoekschriften.
Het hof stelt vast dat de beslissing van de rechtbank op het eerste verzoek tot tussentijdse toetsing onherroepelijk is geworden op 10 oktober 2019. Het volgende verzoek tot tussentijds toetsing kan volgens de wet niet eerder dan zes maanden na die datum worden gedaan. Het verzoekschrift van 10 februari 2020 is dus twee maanden te vroeg ingediend. Op het moment van de indiening van het verzoek had het voor iedereen, onder wie de raadsman, duidelijk moeten zijn dat het verzoek te vroeg was gedaan. Desondanks heeft de rechtbank het verzoek inhoudelijk behandeld en hierop beslist. Het hof ziet - anders dan de advocaat-generaal en de raadsman en ondanks dat de behandeling van het hoger beroep als gevolg van de maatregelen in verband met COVID-19 op zich heeft laten wachten - geen aanleiding om af te wijken van de helder geformuleerde wettelijke regeling. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep vernietigen en de veroordeelde alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek van 10 februari 2020.

Beslissing

Het hof:
Vernietigtde beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 maart 2020 met betrekking tot de veroordeelde
[veroordeelde] .
Verklaartde veroordeelde
[veroordeelde]niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot tussentijdse beoordeling van de maatregel van 10 februari 2020.
Aldus gedaan door
mr. M.E. van Wees als voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,
en drs. D.M.L. Versteijnen en dr. R.A. Graaff als raden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,
en op 10 september 2020 in het openbaar uitgesproken.
Mr. E.A.K.G. Ruys en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.