De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld voor gewoontewitwassen, waarbij uitgaven zijn gedaan met wederrechtelijk verkregen inkomsten, waaronder de aanschaf van veertig voertuigen die verbeurd zijn verklaard. Het hof heeft in hoger beroep de waarde van deze voertuigen mede vastgesteld aan de hand van taxaties van zes voertuigen, waarbij de waarde in het economisch verkeer ten tijde van inbeslagneming en, bij waardestijging, ten tijde van de onherroepelijke verbeurdverklaring is gehanteerd.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling volgens artikel 36e, derde lid, oud Wetboek van Strafrecht, waarbij contante uitgaven, legale contante ontvangsten en eindsaldo contant geld zijn betrokken. De verdediging voerde onder meer aan dat het beginsaldo contant geld onjuist was vastgesteld, maar dit is door het hof verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
De totale contante uitgaven bedragen €621.305,61, terwijl het beschikbare bedrag voor uitgaven €194.074,45 is, wat leidt tot een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van €427.231,16. De waarde van de verbeurdverklaarde voorwerpen is vastgesteld op €348.450,-, waarbij rekening is gehouden met waardestijgingen van twee voertuigen tot het moment van onherroepelijke verbeurdverklaring.
Vanwege overschrijding van de redelijke termijn is de betalingsverplichting verminderd met €10.000,-, waardoor de betrokkene een betalingsverplichting aan de Staat heeft van €68.781,-. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht met deze vaststellingen.