Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[verzoekster1] ,
[verzoekster1],
2. [verzoeker2] ,
[verzoeker2],
3. [verzoeker3] ,
[verzoeker3],
4. [verzoekster4] ,
[verzoekster4],
5. [verzoeker5] ,
[verzoeker5],
6. [verzoeker6] ,
[verzoeker6],
1.[verweerder1] ,
[verweerder1],
[verweerster2],
Het geding in hoger beroep
De vaststaande feiten
Ik legateer, boven en naast hetgeen hij als erfgenaam uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, aan mijn zoon [D] , geboren [in] negentienhonderd drieënzestig, mijn vordering wegens geldlening te zijnen laste, dan wel mijn aandeel in zodanige vordering, thans pro resto groot vierhonderdachttien duizend éénhonderdnegenenzestig gulden (f 418.169,00), dan wel het restant daarvan.
Het verzoek en de beslissing in eerste aanleg
Pas na het overlijden van [E] in 2019 heeft [verweerster2] het vonnis van de rechtbank Assen van 3 augustus 2011 in zijn nagelaten administratie aangetroffen. Eerder was zij hiervan niet op de hoogte.