Uitspraak
[veroordeelde] ,
De ontvankelijkheid van het verzoek tot tussentijdse toetsing
Oordeel van het hof
Beslissing
[veroordeelde].
[veroordeelde]niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot tussentijdse beoordeling van de maatregel van 23 april 2020.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De veroordeelde was geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) en verzocht tussentijds om een beoordeling van de voortzetting van deze maatregel. Dit verzoek werd ingediend op 23 april 2020, terwijl de wettelijke regeling bepaalt dat een dergelijk verzoek pas na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging kan worden ingediend. De rechtbank behandelde het verzoek inhoudelijk en besloot op 7 juli 2020 tot voortzetting van de ISD-maatregel.
De veroordeelde ging hiertegen in hoger beroep. Het hof stelde vast dat op het moment van het verzoek de nieuwe wettelijke regeling van artikel 6:6:14 lid 1 Sv Pro nog niet van kracht was, maar dat een gelijkluidende bepaling in lid 2 van dat artikel gold. Volgens deze regeling was het verzoek te vroeg ingediend en dus niet-ontvankelijk. De verdediging voerde aan dat het verzoek slechts korte tijd te vroeg was en dat ontvankelijkheid alsnog moest worden aangenomen.
Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling duidelijk was en dat geen reden bestond hiervan af te wijken. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de rechtbank en verklaarde het verzoek van de veroordeelde niet-ontvankelijk. De voortzetting van de ISD-maatregel blijft daarmee ongewijzigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het tussentijdse toetsingsverzoek niet-ontvankelijk omdat het te vroeg was ingediend.