ECLI:NL:GHARL:2020:8840

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.243.483/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie rijden door rood licht verworpen

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een rood verkeerslicht op 28 juni 2017. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

In hoger beroep werd aangevoerd dat de sanctie onvoldoende was gemotiveerd en dat de ambtenaar geen direct zicht had op het verkeerslicht voor de betrokkene. De gemachtigde verwees naar mogelijke overgangstijden en technische details van de verkeerslichtinstallatie.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar op basis van het waarnemen van groen licht in een conflicterende rijrichting en aanvullende technische informatie kon vaststellen dat het licht voor de betrokkene op rood stond. De bezwaren van de betrokkene werden verworpen, het beroep tegen de sanctie ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de sanctie rijden door rood licht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.483/01
CJIB-nummer
: 208764794
Uitspraak d.d.
: 29 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de beslissing van de officier van justitie niet behoorlijk is gemotiveerd, nu daarin is overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene.
2. De beslissing van de officier van justitie d.d. 20 december 2017 is, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd: ''U verzoekt ook om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.''
3. De gemachtigde heeft hierover in zijn brief van 20 mei 2018 bij de kantonrechter geklaagd. De kantonrechter heeft daarop geoordeeld dat de financiële draagkracht van de betrokkene (wel) aanleiding kan geven om de sanctie te matigen, maar dat de betrokkene door hetgeen de officier van justitie op dit punt heeft overwogen niet is benadeeld, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene in financiële omstandigheden verkeert die matiging van de sanctie billijken. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie in stand kan blijven.
4. Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv luidt als volgt:
''Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen.''
5. De beslissing van de officier van justitie getuigt, gelet hierop, van een onjuiste rechtsopvatting, Daardoor is een aangevoerd bezwaar ten onrechte niet beoordeeld door de officier van justitie. Dat de kantonrechter zelf na beoordeling van het bezwaar tot het oordeel komt dat het bezwaar niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag maakt niet dat vernietiging van de beslissing van de officier van justitie achterwege kan blijven. De officier van justitie heeft in deze een eigen bevoegdheid om te beoordelen of het aangevoerde tot matiging van het sanctiebedrag leidt en heeft zich daarover niet uitgelaten, ook niet ter zitting van de kantonrechter. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen deze beslissing(en) behoeven derhalve geen bespreking meer.
6. Het hof zal thans het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2017 om 14:14 uur op de Grauwaartsingel kruising met de Dirck Hoetweg in De Meern met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
8. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging betwist. Daartoe voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd weliswaar heeft verklaard dat het verkeerslicht goed functioneerde, maar dat dat in het onderhavige geval onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat de betrokken het rode licht heeft genegeerd. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 15 juli 2015, ECLI:NL:GHAL2015:5337. De gemachtigde merkt daarbij op dat sprake kan zijn van een overgangstijd waarbij meerdere verkeerslichten tegelijkertijd groen of oranje (het hof begrijpt: geel) kunnen zijn, dat de ambtenaar niet heeft waargenomen of sprake was van een overgangstijd en ook geen informatie heeft verstrekt over de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie.
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
10. De gegevens waarop de oplegging van de sanctie is gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring van de ambtenaar: “Wij hadden 3 seconden groen licht toen betrokken auto over het kruispunt reed. Als wij direct konden rijden als het verkeerslicht op groen stond reden wij tegen elkaar aan. Kan niet anders dan dat de betrokken persoon rood licht had.”
11. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal van 18 oktober 2017. Hierin verklaart de ambtenaar nog, kort gezegd, dat hij heeft besloten de bestuurder van het voertuig met voormeld kenteken te verbaliseren omdat hij zag dat het verkeerslicht aan de kant van de Dirck Hoetweg, waar de ambtenaar zich bevond, drie seconden op groen stond en hij vervolgens zag dat het voertuig van de betrokkene, dat zich bevond op de Grauwaartsingel, voor de ambtenaar op de t-splitsing links, het kruispunt overstak. Weliswaar had de ambtenaar geen zicht op het verkeerslicht dat op de Grauwaartsingel staat, maar het kan niet anders zijn geweest dan dat de betrokkene over de stopstreep reed terwijl het verkeerslicht aan zijn kant nog op rood stond, aldus de ambtenaar. Ook verklaart de ambtenaar dat hij heeft vastgesteld dat de verkeerslichten goed functioneerden.
12. De betrokkene ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
13. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
14. De advocaat-generaal heeft bij de wegbeheerder technische informatie opgevraagd over de betreffende verkeersinstallatie. De advocaat-generaal heeft deze informatie ontvangen en aan het dossier toegevoegd. De advocaat-generaal heeft hierbij opgemerkt dat de wegbeheerder, bij e-mailbericht van [B] , adviseur verkeersmanagement bij de gemeente Utrecht, het volgende over heeft verklaard: “De verkeerslichten voor het autoverkeer vanaf de Dirck Hoetweg kunnen niet tegelijk groen zijn met het verkeerslicht voor het rechtdoorgaande autoverkeer vanaf de Grauwaartsingel. De bovengenoemde verkeersstroken zijn conflicterend. Bovenstaande situatie wordt door een separate computer bewaakt. Indien door een technische storing de beide richtingen toch tegelijk groen krijgen, dan wordt de verkeersregelinstallatie onmiddellijk uitgeschakeld en gaan de verkeerslichten knipperen.”
15. Bij nader bericht aan de advocaat-generaal heeft voornoemde [B] daar nog aan toegevoegd: “Uw vraag is dus of de verkeerslichten zo staan afgesteld, dat als het licht voor de auto’s vanaf de Dirck Hoetweg reeds 3 seconden op groen stond, de verkeerslichten voor het rechtdoorgaande verkeer van links op de Grauwaartsingel inderdaad op rood stonden, en dus nooit op oranje (het hof begrijpt: geel) hebben kunnen staan. Ook deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Als de verkeerslichten voor het autoverkeer vanaf de Dirck Hoetweg groen zijn, dan is het verkeerslicht voor het rechtdoorgaande verkeer vanaf de Grauwaardsingel altijd rood. (…).”
16. Het hof is van oordeel dat de hiervoor verwoorde stellingen van de gemachtigde afdoende zijn weerlegd door de nadere informatie die de advocaat-generaal heeft overgelegd. De conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat, toen de ambtenaar groen licht kreeg, het verkeerslicht voor de betrokkene op rood heeft gestaan en dat hij, door op dat moment door te rijden, een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
17. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
18. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.