Uitspraak
[appellant],
de curator,
de provincie,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Terpburg B.V. werd failliet verklaard in mei 2005. In het faillissement betwistten de curator en de bestuurder de door de provincie Fryslân ingediende vordering uit proceskostenveroordelingen van drie kortgedingprocedures. De rechtbank Noord-Nederland erkende de vordering van de provincie tot een bedrag van €3.310,44 en veroordeelde Terpburg in de proceskosten.
De bestuurder en curator gingen in beroep bij het hof en stelden dat de proceskostenveroordelingen niet meer verschuldigd waren omdat in een daaropvolgende bodemprocedure, die na het faillissement werd voortgezet, een andersluidend oordeel was gegeven. Het hof oordeelde dat de proceskostenveroordelingen in kort geding zelfstandige, tijdelijke ordemaatregelen zijn en niet worden vernietigd door een andere beslissing in de bodemprocedure.
Verder faalden de verweren dat de proceskosten door verrekening met een bankgarantie teniet zouden zijn gegaan en dat de provincie na 31 juli 2003 niets meer te vorderen had. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de curator en bestuurder in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de proceskostenveroordelingen in kort geding tegen Terpburg B.V.