Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun in 2017 geboren dochter, die onder toezicht is gesteld en geplaatst bij een netwerkgezin, later overgeplaatst naar een perspectiefbiedend pleeggezin. De kinderrechter heeft het verzoek van de ouders om terugplaatsing naar het netwerkgezin en vervanging van de gezinsvoogd afgewezen en een zorgregeling vastgesteld.
De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en voerden aan dat het appelverbod doorbroken moet worden vanwege vermeende onjuiste verklaringen van de gezinsvoogd die de kinderrechter zouden hebben misleid. Zij stelden dat de belangen van de minderjarige ondergeschikt zijn gemaakt aan die van de gezinsvoogd.
Het hof overweegt dat het wettelijke appelverbod in artikel 807 Rv Pro slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden doorbroken, namelijk bij onjuiste toepassing van de regeling, het buiten toepassing laten ervan, of schending van fundamentele rechtsbeginselen. Het hof oordeelt dat de ouders niet hebben voldaan aan de zware motiveringsplicht voor een doorbrekingsgrond. Uit de stukken blijkt niet dat de kinderrechter zijn oordeel heeft gebaseerd op de vermeende onjuiste verklaringen, maar op het belang van de minderjarige.
Daarom verklaart het hof de ouders niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en verzoeken om voorlopige voorzieningen. De beschikking is uitgesproken op 10 november 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de ouders niet-ontvankelijk en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter.