ECLI:NL:GHARL:2020:9913

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
19/01373
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde hoekwoning te [Z] voor belastingjaar 2018

Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning te [Z], bouwjaar 1965, met een inhoud van 261 m3 en een kavel van 246 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2017 vast op €212.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft de zaak digitaal behandeld en concludeert dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en vergelijkingsmethode voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.

De referentieobjecten in de taxatiematrix zijn vergelijkbaar qua bouwjaar, type en ligging, en de waardeverhoudingen zijn adequaat toegelicht. Het hof oordeelt dat de waarde van €212.000 passend is en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €212.000 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 19/01373
uitspraakdatum: 24 november 2020
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de tweeëntwintigste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 september 2019, nummer Awb 19/84, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn(hierna: de heffingsambtenaar)

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2018 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 10 te [Z] (de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2017 voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 212.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het belastingjaar 2018 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) en een aanslag watersysteemheffing gebouwd opgelegd.
Bij uitspraak van 28 november 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 september 2019 heeft de Rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 11 november 2020 te Arnhem. Verschenen zijn mr. [A] als gemachtigde van belanghebbende en [B] en ing. [C] namens de heffingsambtenaar.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] 10 te [Z] (hierna: de onroerende zaak). Deze onroerende zaak betreft een hoekwoning, bouwjaar 1965, met een inhoud van 261 m3 en een aanbouw van 20 m3. De onroerende zaak heeft een dakkapel en een vrijstaande garage met een inhoud van 55 m3. De kaveloppervlakte is 246 m2.
2. Partijen verschillen van mening over de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor 2018. Belanghebbende bepleit dat de onroerende zaak een waarde heeft van € 201.000. De heffingsambtenaar houdt vast aan de door hem vastgestelde waarde van € 212.000.
3. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem per waardepeildatum 1 januari 2017 vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op die datum. Als verweerder niet in deze bewijslast slaagt, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, zal de rechter als regel de waarde zelf vaststellen (zie HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2132).
4. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een taxatiematrix van 20 juli 2019 die is opgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode (hierna: de matrix). In de matrix heeft de taxateur drie referentieobjecten uit [Z] opgenomen, te weten: [a-straat] 15, verkocht op 12 mei 2017 voor € 220.000 met een inhoud van 261 m³ en een kaveloppervlakte van 163 m2, [a-straat] 16, verkocht op 6 februari 2017 voor € 205.000 met een inhoud van 261 m³ en een kaveloppervlakte van 145 m2, [a-straat] 5, verkocht op 16 januari 2017 voor € 223.000 met een inhoud van 261 m³ en een kaveloppervlakte van 163 m2, en [a-straat] 12 (de buurwoning), verkocht op 29 juli 2016 voor € 198.000 met een inhoud van 261 m³ en een kaveloppervlakte van 250 m2. In de matrix is de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2017 bepaalt op € 220.000.
5. Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de matrix en de ter zitting daarop gegeven toelichting, in het licht van hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2017 niet te hoog is vastgesteld.
6. Het Hof overweegt dat de in de matrix opgenomen referentieobjecten gelet op het bouwjaar, het bouwtype, de bouwwijze, de uitstraling en de ligging, goede vergelijkingsobjecten vormen. De onderlinge waardeverhouding tussen de referentieobjecten geeft een goede weerspiegeling van het waardeniveau van belanghebbendes onroerende zaak. Uit de matrix en de ter zitting gegeven toelichting blijkt naar het oordeel van het Hof dat bij de waardebepaling voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen belanghebbendes woning en de referentiewoningen, zowel ten opzichte van de nummers 5, 15 en 16 die beter zijn gewaardeerd op de onderdelen kwaliteit/luxe en voorzieningen als ten opzichte van nummer 12 met lagere waardering op het onderdeel onderhoudstoestand vanwege achterstallig onderhoud en houtrot in de kozijnen.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling en/of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (J.W. Keuning)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.