Partijen zijn het oneens over de inhoud van een afspraak gemaakt op 18 april 2017 voorafgaand aan de levering van een woning met bedrijfshal. De koper ([appellant]) stelt dat de verkoper ([geïntimeerde1]) onvoorwaardelijk maximaal € 10.000 zou betalen voor saneringskosten van vervuilde grond, terwijl de verkoper betwist dat dit zo is en stelt dat hij slechts maximaal € 5.000 zou betalen indien sanering noodzakelijk zou zijn voor het beoogde gebruik.
De rechtbank wees de vordering van de koper af, maar in hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat het nog niet vaststaat wat precies is afgesproken. Het hof laat de koper toe bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoren, om aan te tonen dat de verkoper onvoorwaardelijk de saneringskosten tot € 10.000 zou betalen.
Het hof wijst erop dat uit het milieurapport niet blijkt dat sanering noodzakelijk is, omdat dit afhangt van provinciale regelgeving en het feit dat de koper niet heeft gesteld dat hij wil graven of dat de provincie opdracht tot sanering heeft gegeven. Het hof geeft partijen de mogelijkheid om in onderling overleg tot een regeling te komen en bepaalt een procedure voor het getuigenverhoor.
De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en verdere beslissing na het getuigenverhoor.