In deze civiele zaak stond een verzoek tot toekenning van een aanvangsbeloning voor bewindvoering centraal. De kantonrechter had dit verzoek afgewezen, waarna hoger beroep werd ingesteld door zowel de bewindvoerder als de rechthebbende. Tijdens de procedure bleek dat de rechthebbende geen opdracht had gegeven voor het instellen van het hoger beroep en zelfs niet op de hoogte was van de procedure.
Het hof oordeelde dat de rechthebbende geen belang had bij het hoger beroep, aangezien de aanvangsbeloning ten laste zou komen van zijn vermogen. Daarnaast kon de bewindvoerder slechts opkomen voor de belangen van de rechthebbende, die echter geen belang had bij de procedure. Hierdoor werd het verzoek in hoger beroep door het hof afgewezen.
Het hof gaf tevens de kantonrechter in overweging erop toe te zien dat de kosten van de procedure niet ten laste worden gebracht van het vermogen van de rechthebbende. De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 oktober 2021.