ECLI:NL:GHARL:2021:10173

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
1 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.272.009/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RVV 1990Art. 13 RVV 1990Art. 2 lid 3 WahvArt. 3 lid 2 WahvArt. 7:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie rechts inhalen via busbaan tijdens file

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €160 wegens het rechts inhalen van een file via een busbaan, wat volgens de ambtenaar verboden was. De betrokkene stelde dat het inhalen rechts tijdens file is toegestaan en dat een busbaan als rijbaan moet worden beschouwd. Tevens werd betwist of de ambtenaar bevoegd was om de sanctie op te leggen.

Het hof oordeelde dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende was gemotiveerd, met name over de bevoegdheid van de ambtenaar, en vernietigde daarom de eerdere beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie. Bij de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking stelde het hof vast dat de betrokkene de file via de busbaan had ingehaald, wat volgens artikel 13 RVV Pro 1990 niet is toegestaan omdat de uitzonderingssituatie alleen geldt als de file op dezelfde rijbaan wordt ingehaald.

De persoonlijke omstandigheden van de betrokkene boden geen aanleiding tot matiging van de sanctie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het arrest werd uitgesproken door mr. Wijma namens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wegens rechts inhalen via de busbaan wordt ongegrond verklaard en de boete van €160 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.272.009/01
CJIB-nummer
: 183739033
Uitspraak d.d.
: 1 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R.A. Goemmatov, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter onvoldoende is gemotiveerd. Er is een met stukken onderbouwd verzoek gedaan om de inleidende beschikking te vernietigen op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Daarnaast was ook aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie in strijd met artikel 7:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op de grond ten aanzien van de bevoegdheid van de verbalisant. De kantonrechter heeft niet gereageerd op de gronden van beroep.
2. Het hof stelt vast dat namens de betrokkene in administratief onder meer verweer is gevoerd ten aanzien van de bevoegdheid van de ambtenaar. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie blijkt niet dat dit verweer in het oordeel is betrokken. Die beslissing is dan ook onvoldoende gemotiveerd. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 juli 2014 om 16.50 uur op de Laan van Nieuw Oosteinde in Voorburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat op het moment van de gedraging sprake was van een file. Die mag aan de rechterkant worden ingehaald. De gemachtigde stelt dat een busbaan een rijbaan is en de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het beroep op artikel 13, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) niet slaagt. Bovendien mogen files ook aan de rechterkant worden ingehaald als er geen sprake is van een normale rijbaan. Nergens is namelijk bepaald dat files niet op een niet normale rijbaan mogen worden ingehaald. De advocaat-generaal heeft ook ten onrechte aangevoerd dat een busbaan geen normale rijbaan is. Op een busbaan gelden dezelfde regels als voor een voertuig op de rijbaan. Uit artikel 1, tweede lid, van het RVV 1990 blijkt dat een busbaan een rijbaan is waar het woord “bus” of “lijnbus” is aangebracht. Daarnaast voert de gemachtigde ook aan dat de betrokkene op dezelfde brede rijstrook met zijn brommer voertuigen heeft ingehaald. De ambtenaar heeft na staandehouding gezegd dat hij het niet kan bewijzen dan wel gaat matsen.
5. Verder voert de gemachtigde aan dat de bevoegdheid van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld, omdat de gemachtigde geen aanstellingsbesluit van de ambtenaar heeft ontvangen. Zoals het hof heeft bepaald in het arrest van 23 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:11084) is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. De stelling dat de gemachtigde uit de stukken die hij heeft ontvangen geen bevoegdheid kan afleiden, vormt evenmin aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Betrokkene haalde met een snelheid van plus minus 50 km/u een rijdende file auto’s rechts in, via de busbaan, ipv links.”
8. In de enkele stelling van de gemachtigde dat de betrokkene via dezelfde rijstrook voertuigen heeft ingehaald, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Het hof gaat er dan ook van uit dat de betrokkene via de busbaan voertuigen heeft ingehaald.
9. Ingevolge artikel 1 van Pro het RVV 1990 wordt onder een busbaan verstaan: een rijbaan waarop het woord ʽBUSʼ of ʽLIJNBUSʼ is aangebracht.
10. Artikel 13 van Pro het RVV 1990 luidt als volgt:
Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.
Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.
11. Op grond van artikel 13 van Pro het RVV 1990 mag in bepaalde situaties een file rechts worden ingehaald. Het verweer van de gemachtigde dat in dit geval sprake is van een dergelijke situatie faalt. Een redelijke uitleg van artikel 13 brengt Pro mee dat het eerste en tweede lid in samenhang moeten worden bezien. Uit artikel 13 van Pro het RVV 1990 volgt dan ook dat de file die rechts mag worden ingehaald zich op dezelfde rijbaan moet bevinden. De ambtenaar heeft echter verklaard dat de betrokkene de file inhaalde via de busbaan. Dit is een rijbaan naast de rijbaan waarop zich de file bevond. Op die rijbaan was de uitzonderingssituatie van artikel 13 van Pro het RVV 1990 derhalve niet van toepassing. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
12. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De gemachtigde heeft een beroep gedaan op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Hij verzoekt om de sanctie op nihil te stellen.
13. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.
14. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. De gemachtigde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokkene in zodanige situatie verkeert dat hij de sanctie niet kan voldoen.
15. Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.