Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
KMB,
1.De procedure bij de rechtbank
2.De procedure in hoger beroep
4.De beoordeling in het incident
de rol van 2 maart 2021voor memorie van antwoord.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant bewoont een woning met bedrijfsruimte en huurde deze van Hartman Kwekerijen B.V., wiens faillissement leidde tot overname van de percelen door KMB Vastgoed B.V. Na ontbinding van de huurovereenkomst door de kantonrechter is appellant veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur. KMB vorderde ontruiming en dwangsom, terwijl appellant een langere ontruimingstermijn wilde.
De voorzieningenrechter bepaalde een ontruimingstermijn tot uiterlijk 1 februari 2021 met een dwangsom bij niet-naleving. Appellant verzocht in hoger beroep om schorsing van de uitvoerbaarverklaring van dit vonnis. Het hof beoordeelde dit verzoek aan de hand van de criteria uit het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:2026), waarbij het belang van de wederpartij zwaarder weegt dan het belang van appellant bij behoud van de bestaande toestand.
Appellant stelde dat hij zijn bedrijf zou moeten beëindigen en geen passende vervangende woon- en bedrijfsruimte binnen drie maanden kon vinden. KMB had echter geen concrete plannen of geïnteresseerden voor de percelen. Het hof oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had gesteld die een wijziging van de eerdere uitvoerbaarverklaring rechtvaardigen.
De stelling van appellant dat hij gedurende de ontruimingstermijn een maandelijkse vergoeding zou kunnen betalen, werd onvoldoende onderbouwd en niet geloofwaardig geacht. Het hof concludeerde dat KMB niet verplicht kan worden de woning en bedrijfsruimte langer ter beschikking te stellen en wees het verzoek tot schorsing af. De kostenbeslissing werd aangehouden tot de einduitspraak en de hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere procedure.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van het ontruimingsvonnis af.