ECLI:NL:GHARL:2021:10966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
200.290.749/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens onvoldoende zelfstandigheid rechthebbende

De rechthebbende, geboren in 1952, is sinds 2014 onder bewind gesteld vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand die haar belemmerde haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Na afronding van een minnelijke schuldregeling in 2018 verzocht zij in 2019 om opheffing van het bewind. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de rechthebbende in hoger beroep ging.

In hoger beroep stelde de rechthebbende dat de oorzaken voor het bewind niet meer aanwezig zijn en verzocht zij primair om opheffing en subsidiair om nader deskundigenonderzoek. Het hof oordeelde dat de door de rechthebbende overgelegde summiere verklaring van een specialist ouderengeneeskunde onvoldoende was om het vervallen van de noodzaak aan te tonen. Bovendien bleek uit het traject naar financiële zelfredzaamheid dat de rechthebbende onvoldoende zelfstandig kon rondkomen, regelmatig extra leefgeld nodig had en meerdere malen haar bankpas verloor.

Ook het feit dat zij zonder overleg met de bewindvoerder huur ging betalen aan haar zus, die zelf financiële problemen heeft, en hoge telefoonrekeningen had door het bellen van servicenummers, bevestigde het hof dat bescherming via bewind noodzakelijk blijft. De bewindvoerder voorzag bij opheffing binnen een jaar grote problemen. Het hof zag daarom geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek en bekrachtigde de eerdere beschikking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind wegens onvoldoende zelfstandigheid van de rechthebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.290.749/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8195710)
beschikking van 25 november 2021
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
(1) [de bewindvoerder] B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder.
(2) [de zus],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de zus,
(3) [de broer],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de broer.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 februari 2021;
- een journaalbericht namens de rechthebbende van 22 maart 2021 met bijlage(n);
- een brief van de bewindvoerder van 15 april 2021;
- een journaalbericht namens de rechthebbende van 27 mei 2021 met bijlage(n);
- een brief namens de bewindvoerder van 28 oktober 2021 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2021 plaatsgevonden. De rechthebbende is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de bewindvoerder zijn verschenen [naam1] en [naam2] .

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1952.
3.2
Bij beschikking van 17 december 2014 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, omdat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. [de bewindvoerder] B.V. is tot bewindvoerder benoemd.
3.3
In augustus 2018 is het minnelijke schuldregelingstraject met een schone lei afgerond.
3.4
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 27 november 2019, heeft de rechthebbende verzocht het bewind op te heffen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende strekkende tot opheffing van het bewind, afgewezen.
4.2
De rechthebbende komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- primair: te bepalen dat het bewind wordt opgeheven;
- subsidiair: te bepalen dat het bewind wordt opgeheven nadat het hof heeft gelast dat ten aanzien van de rechthebbende een onderzoek door een deskundige dient te worden overgegaan.
4.3
De bewindvoerder voert mondeling verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,
tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.2
Het bewind is in 2014 ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende. Er was destijds sprake van psychische problematiek bij de rechthebbende, waarvoor zij onder behandeling is (geweest) bij [naam3] .
5.3
Het ligt op de weg van de rechthebbende om aan te tonen dat de oorzaken die aanleiding hebben gegeven tot de instelling van het bewind niet meer aanwezig zijn en dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat. De rechthebbende is daar - mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de bewindvoerder - niet in geslaagd.
De rechthebbende heeft in hoger beroep een verklaring van een specialist ouderengeneeskunde overgelegd, waarin - zonder nadere onderbouwing - wordt verklaard dat de rechthebbende in staat is haar eigen vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Het hof acht deze zeer summiere verklaring onvoldoende om te concluderen dat er geen noodzaak meer bestaat voor een bewind, mede gelet op de navolgende omstandigheden, in onderling verband bezien.
5.4
De rechthebbende heeft van 1 mei 2020 tot begin augustus 2020 een traject richting financiële zelfredzaamheid gevolgd. Dit traject is zonder positief resultaat door de bewindvoerder beëindigd, omdat de rechthebbende op financieel gebied onvoldoende zelfredzaam bleek te zijn. De rechthebbende bleek niet rond te komen van haar maandgeld en er was dus een noodzaak voor de bewindvoerder om in te grijpen. De rechthebbende heeft haar stelling dat haar tijdens dit traject onvoldoende kans is gegeven, onvoldoende onderbouwd. Ter zitting is gebleken dat de rechthebbende nog altijd de bewindvoerder bijna dagelijks om extra leefgeld vraagt en kennelijk dus niet kan rondkomen van haar leefgeld.
Bovendien woont de rechthebbende nu in een woning van haar zus. Mede omdat de zus zelf financiële problemen heeft, hebben de rechthebbende en haar zus afgesproken dat de rechthebbende huur zal gaan betalen aan haar zus. Dit heeft de rechthebbende echter niet overlegd met de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat dit gevolgen zal hebben voor de hoogte van het weekgeld, terwijl de rechthebbende, zoals hiervoor al overwogen, nu reeds regelmatig om extra leefgeld vraagt.
Verder heeft de bewindvoerder onbetwist verklaard dat de rechthebbende dit jaar vier keer een nieuwe bankpas heeft moeten aanvragen, omdat haar bankpas gestolen was of kwijt was. Weliswaar heeft de rechthebbende zelf telkens direct haar bankpas laten blokkeren, maar de bewindvoerder maakt zich daardoor wel zorgen over de rechthebbende en acht het noodzakelijk dat zij beschermd wordt. Het hof deelt deze zorgen.
Daarbij komt dat de rechthebbende een aantal hoge telefoonrekeningen heeft moeten betalen, omdat zij servicenummers had gebeld en vergeten was het gesprek te beëindigen. De rechthebbende stelt dat zij deze nummers moest bellen om haar verhuizing te kunnen regelen en dat ze deze nummers nu niet meer belt. De bewindvoerder heeft verklaard dat de rechthebbende deze nummers niet meer kan bellen, omdat hij de telefoonnummers heeft geblokkeerd. Los van de vraag of de rechthebbende deze nummers niet meer zal bellen, acht het hof het aangewezen dat de bewindvoerder de rechthebbende bij vergelijkbare gebeurtenissen kan beschermen voor eventuele negatieve financiële gevolgen.
5.5
Bovenstaande omstandigheden maken dat de rechthebbende bescherming nodig heeft van haar vermogensrechtelijke belangen en dat biedt een bewind. Het hof ziet geen reden voor een nader deskundigenonderzoek, zoals door de rechthebbende subsidiair verzocht. De bewindvoerder heeft verklaard - en het hof ziet geen aanleiding om de twijfelen aan de juistheid van deze verklaring - dat wanneer het bewind opgeheven zou worden, hij binnen een jaar grote problemen voorziet. Er hebben volgens hem te veel voorvallen plaatsgevonden, waardoor hij niet aannemelijk acht dat de rechthebbende zelfstandig haar financiën kan beheren. Een bewind is volgens hem - en het hof deelt deze visie - noodzakelijk ter bescherming van de rechthebbende.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 november 2020;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.P. den Hollander en J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 25 november 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.