Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende, geboren in 1952, is sinds 2014 onder bewind gesteld vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand die haar belemmerde haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Na afronding van een minnelijke schuldregeling in 2018 verzocht zij in 2019 om opheffing van het bewind. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de rechthebbende in hoger beroep ging.
In hoger beroep stelde de rechthebbende dat de oorzaken voor het bewind niet meer aanwezig zijn en verzocht zij primair om opheffing en subsidiair om nader deskundigenonderzoek. Het hof oordeelde dat de door de rechthebbende overgelegde summiere verklaring van een specialist ouderengeneeskunde onvoldoende was om het vervallen van de noodzaak aan te tonen. Bovendien bleek uit het traject naar financiële zelfredzaamheid dat de rechthebbende onvoldoende zelfstandig kon rondkomen, regelmatig extra leefgeld nodig had en meerdere malen haar bankpas verloor.
Ook het feit dat zij zonder overleg met de bewindvoerder huur ging betalen aan haar zus, die zelf financiële problemen heeft, en hoge telefoonrekeningen had door het bellen van servicenummers, bevestigde het hof dat bescherming via bewind noodzakelijk blijft. De bewindvoerder voorzag bij opheffing binnen een jaar grote problemen. Het hof zag daarom geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek en bekrachtigde de eerdere beschikking.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind wegens onvoldoende zelfstandigheid van de rechthebbende.