Deze civiele zaak betreft de uitleg van een meerwaardeclausule in een overeenkomst tussen een orthodontist en twee tandartspraktijken die mede-aandeelhouder waren van een orthodontiepraktijk. De vraag was of de orthodontist bij verkoop van zijn praktijk binnen drie jaar na overdracht van de aandelen ook de goodwill moest afrekenen conform de clausule.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de meerwaardeclausule van toepassing was en de orthodontist tot betaling aan de mede-aandeelhouders veroordeeld. De orthodontist ging in hoger beroep en betwistte onder meer dat de meerwaardeclausule ook de goodwill omvatte en of de mede-aandeelhouders rechten konden ontlenen aan die clausule.
Het hof bevestigde dat de mede-aandeelhouders op grond van een derdenbeding aanspraak kunnen maken op nakoming van de meerwaardeclausule. De uitleg van de clausule geschiedde aan de hand van het Haviltex-criterium, waarbij werd vastgesteld dat goodwill onderdeel uitmaakt van de meerwaarde die moet worden afgerekend bij vervreemding binnen drie jaar.
De eerdere uitspraak van de rechtbank werd grotendeels bekrachtigd, met uitzondering van een verklaring voor recht ten aanzien van een partij die niet in de procedure was betrokken. De orthodontist werd veroordeeld tot betaling van de meerwaarde, inclusief wettelijke rente en beslagkosten, en tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep.