Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2012, zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank over kinderalimentatie. De rechtbank had de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding vastgesteld op €220 per maand vanaf 10 januari 2020. De man betwistte dit bedrag en stelde dat de alimentatie moest worden verlaagd tot €25 per maand, met terugbetaling van het teveel betaalde.
Het hof oordeelde dat de behoefte van de minderjarige moest worden vastgesteld aan de hand van het inkomen van de man in 2019, omdat het hof de stelling van de vrouw dat de man destijds illegale inkomsten had, onvoldoende onderbouwd vond. Dit leidde tot een lagere behoefte van €231 per maand in 2020, in plaats van de door de rechtbank gehanteerde €325.
De draagkracht van de man werd verdeeld in drie periodes: tot 1 augustus 2020 werd uitgegaan van het inkomen in 2019; van 1 augustus 2020 tot eind 2021 van een bijstandsuitkering (TOZO); en vanaf 2022 weer het inkomen van 2019. Het hof bepaalde dat de man in de eerste periode €156 per maand moest betalen, in de tweede periode €25, en vanaf 2022 weer €156.
Het hof stelde vast dat de man in de eerste periode teveel had betaald en dat de vrouw dit bedrag van €583,74 plus eventuele verdere bedragen over de tweede periode aan de man moet terugbetalen. De vrouw had haar verweer onvoldoende onderbouwd en moest daarom tot terugbetaling worden veroordeeld.