ECLI:NL:GHARL:2021:11885

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 december 2021
Publicatiedatum
28 december 2021
Zaaknummer
200.297.474
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 162 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage patiëntenlijst in geschil over relatiebeding fysiotherapeut

Fysio 024 en haar voormalig werknemer, een fysiotherapeut, zijn in geschil over de naleving van een relatiebeding na het vertrek van de werknemer en de start van zijn eigen praktijk. Fysio 024 vermoedt dat de werknemer meer patiënten heeft behandeld dan bekend, wat een overtreding van het relatiebeding zou betekenen.

Fysio 024 vordert op grond van artikel 843a Rv inzage in een lijst van patiënten die de werknemer sinds zijn vertrek heeft behandeld, met naam en geboortedatum, om haar stellingen te bewijzen. Het hof oordeelt echter dat de vordering niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 843a lid 1 Rv, omdat het niet gaat om bestaande, bepaalde bescheiden maar om een zelf op te stellen lijst.

Het hof wijst de vordering daarom af en stelt dat, indien het relatiebeding geldig blijkt, andere bewijsleveringsmiddelen kunnen worden ingezet. Fysio 024 wordt veroordeeld in de kosten van het incident en de hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand.

Uitkomst: De vordering tot inzage in de patiëntenlijst wordt afgewezen wegens onvoldoende specificiteit en onbepaaldheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.297.474
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 8633563)
arrest van 28 december 2021
in het incident in de zaak van
de vennootschap onder firma
Fysio 024,
gevestigd te Groesbeek,
appellante, tevens eiseres in het incident,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: Fysio 024,
advocaat: mr. M. Bruins,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde, tevens verweerder in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. C.L.J.A. Spiertz.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 11 september 2020, 9 oktober 2020, 2 april 2021 en het herstelvonnis van 3 juni 2021 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Nijmegen) heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 29 juni 2021,
- het exploot van anticipatie van 19 juli 2021 aan de zijde van [geïntimeerde] ,
- de memorie van grieven met productie 29, 30 en 31 en tevens incidentele memorie ex artikel 843a Rv,
- de memorie van antwoord in het incident.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in het incident

3.1
[geïntimeerde] heeft in de periode tussen 2 januari 2018 en 1 december 2019 op grond van een arbeidsovereenkomst in loondienst van Fysio 024 gewerkt. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Per 1 december 2019 is [geïntimeerde] uit dienst getreden en met ingang van 1 januari 2020 is hij zijn eigen fysiotherapiepraktijk gestart in [woonplaats] . Partijen twisten (onder andere) over de vraag of [geïntimeerde] het relatiebeding heeft overtreden en zo ja, in welke mate en tot welke boete deze overtreding(en) zou(den) moeten leiden.
3.2
In eerste aanleg heeft de kantonrechter het relatiebeding gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat het beding niet geldt voor de patiënten die al vóór de indiensttreding van [geïntimeerde] bij Fysio 024 (dat wil zeggen vóór 1 januari 2018) bij [geïntimeerde] onder behandeling waren in [woonplaats] en die hem zijn gevolgd naar Groesbeek vanwege de specifieke vertrouwensband en/of behandelrelatie. De kantonrechter heeft gespecificeerd voor welke patiënten een uitzondering op het relatiebeding geldt. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [geïntimeerde] de contractuele boete is verschuldigd vanwege het behandelen van één patiënt die nog wel onder het beding valt. Fysio 024 wil het geschil hierover in volle omvang voorleggen aan het hof. Zij vermoedt daarbij dat [geïntimeerde] in zijn eigen praktijk in [woonplaats] nog meer patiënten van Fysio 024 heeft behandeld dan waarover in eerste aanleg is gesproken. Zij baseert dit vermoeden op haar eigen administratie, waarin zij heeft geconstateerd dat veertien patiënten die in behandeling waren bij [geïntimeerde] bij Fysio 024 na zijn vertrek zich niet meer tot de praktijk van Fysio 024 hebben gewend.
3.3
Fysio 024 heeft daarom in dit incident gevorderd (op grond van artikel 843a Rv) dat [geïntimeerde] een lijst in het geding dient te brengen van
allepatiënten die hij sinds zijn vertrek bij Fysio 024 tot en met heden heeft behandeld, met vermelding van naam en geboortedatum van die patiënten. Het verkrijgen van deze lijst is volgens Fysio 024 noodzakelijk om haar stellingen te kunnen bewijzen. Fysio 024 stelt voor dat, in het geval het hof van oordeel zou zijn dat met honorering van de vordering de privacy van de patiënten niet kan worden gewaarborgd, het hof een deskundige benoemt om de patiëntgegevens van Fysio 024 en [geïntimeerde] met elkaar te vergelijken.
3.4
Een verzoek op grond van artikel 843a Rv kan worden toegewezen als aan de drie volgende cumulatieve voorwaarden van het eerste lid is voldaan:
(1) degene die het verzoek instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,
(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden (gegevens),
(3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoeker partij is.
Ook als aan de eisen van lid 1 is voldaan, kunnen de uitzonderingen van artikel 843a lid 3 en lid 4 Rv aan toewijzing van het verzoek in de weg staan. Artikel 843a lid 3 Rv bepaalt, samengevat, dat professionele geheimhouders niet hoeven mee te werken aan afgifte van of inzage in stukken die zij uit hoofde van hun functie onder hun berusting hebben. Verder bepaalt lid 4 dat niet aan het verzoek behoeft te worden voldaan indien daarvoor gewichtige redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde stukken gewaarborgd is.
3.5
Het hof zal de vordering van Fysio 024 afwijzen, omdat niet aan alle voorwaarden van lid 1 van artikel 843a Rv is voldaan. Het moet gaan om bepaalde bescheiden en daarvan is in dit geval geen sprake. Fysio 024 verlangt immers geen inzage, afschrift of uittreksel van een bestaand specifiek stuk, maar wil dat [geïntimeerde] zelf een lijst maakt van alle patiënten die hij sinds zijn vertrek bij Fysio 024 heeft behandeld. Fysio 024 stelt verder dat zij dient te beschikken over informatie die zich in de patiëntenadministratie van [geïntimeerde] bevindt. Ook die aanduiding is onvoldoende specifiek voor toewijzing van de vordering. Mocht in het verdere verloop van dit geding komen vast te staan dat het relatiebeding geldig is en dat het voor de beoordeling in hoeverre [geïntimeerde] daarmee in strijd handelt nodig is gegevens te verkrijgen over de patiënten die dat betreft, dan kan het hof – als dat nodig is – naast andere middelen voor bewijslevering ook toepassing geven aan artikel 162 Rv Pro of artikel 22 Rv Pro.
3.6
Het hof zal Fysio 024, als de in het ongelijk te stellen partij, veroordelen in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.114,00 (1 punt x tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.
3.7
Het hof zal bepalen dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
wijst de vordering van Fysio 024 af;
veroordeelt Fysio 024 in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.114,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 december 2021.