ECLI:NL:GHARL:2021:11919

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
29 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.634/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende staandehouding bij mobiel vasthouden tijdens rijden

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 11 juli 2021 op de Rijksweg A9 in Akersloot. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het gerechtshof vernietigt deze beslissing in hoger beroep.

De kern van het geschil is of de ambtenaar de bestuurder had kunnen staande houden. Volgens artikel 5 van Pro de Wahv moet een ambtenaar bij constatering van een overtreding de bestuurder staande houden om diens identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De ambtenaar stelde dat hij onderweg was naar een dienstopdracht, waardoor staandehouding niet mogelijk was.

Het hof oordeelt dat enkel de vermelding 'dienstverplaatsing' onvoldoende is om te concluderen dat staandehouding niet mogelijk was. De ambtenaar heeft niet gesteld waarom hij de andere werkzaamheden niet kon uitstellen. Daarom was er wel een reële mogelijkheid tot staandehouding, en had de sanctie niet aan de kentekenhouder mogen worden opgelegd.

Het hof vernietigt de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.148,50 aan de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat de ambtenaar onvoldoende aannemelijk maakte dat staandehouding niet mogelijk was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.282.634/01
CJIB-nummer
: 227071622
Uitspraak d.d.
: 29 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 3 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 juli 2021 om 14:25 uur op de Ryksweg (A9) in Akersloot met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert onder meer aan dat de ambtenaar de bestuurder staande had moeten houden. Het is onduidelijk waarom een dienstverplaatsing ervoor zou zorgen dat er geen mogelijkheid is tot staande houden. Aldus is volgens de gemachtigde gehandeld in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staande houden, omdat ik onderweg was naar een dienstopdracht. Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijden het rijden een mobiele telefoon met de linkerhand vasthield. Ik zag namelijk dat de betrokkene tijdens het rijden een zwarte Apple Iphone in zijn linkerhand hield en verbalisant (het hof leest: ambtenaar) nam vanaf de dienstmotor waar dat de betrokkene op Whatsapp aan het tikken was. Ik heb deze waarneming gedaan door het genoemde voertuig langzaam in te halen, waarbij ik 30 seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken. (…).
Reden geen staandehouding: dienstverplaatsing.”
5. Uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat de ambtenaar ter plaatse was ten tijde van de vaststelling van de gedraging. Hetgeen de ambtenaar naar voren heeft gebracht, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat staandehouding geen reële mogelijkheid was. De reden dat de ambtenaar onderweg was naar een dienstopdracht houdt niet noodzakelijkerwijs in dat geen staandehouding kan worden verricht (vgl. de arresten van het hof van 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7087, en 17 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10586). Het enkele feit dat de ambtenaar onderweg was in verband met andere werkzaamheden rechtvaardigt derhalve niet dat wordt afgezien van een staandehouding. In dit verband overweegt het hof dat de ambtenaar niet heeft gesteld dat en waarom hij de andere werkzaamheden niet heeft kunnen uitstellen om tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig over te gaan (vgl. het arrest van het hof van 9 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10307). Bij die stand van zaken houdt het hof het ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dat brengt mee dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.148,50 (= (1,5 x € 534,- x 0,5) + (2 x € 748,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.148,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.