ECLI:NL:GHARL:2021:11920

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
29 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.760/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 Politiewet 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen boete voor door rood rijden

De betrokkene stelde beroep in tegen een boete van €230 wegens het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 28 februari 2018 in Weert. Hij voerde aan dat hij voor het rode licht was gestopt en dat de motivering van de officier van justitie onvoldoende was, onder meer met een beroep op artikel 8 EVRM Pro.

Het hof constateerde dat de kantonrechter terecht oordeelde dat de officier van justitie de gronden deugdelijk had gemotiveerd, hoewel de kantonrechter ten onrechte aannam dat geen inbreuk op artikel 8 EVRM Pro was gemaakt. Het hof verwierp deze klacht echter alsnog op basis van een eerder arrest.

Op basis van foto’s en de ligging van het puntstuk ten opzichte van het verkeerslichtenportaal concludeerde het hof dat het voertuig het rode licht is gepasseerd, ondanks het remmen van de betrokkene. De kantonrechter had daarom terecht het beroep ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter met verbetering van de motivering.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter dat de betrokkene het rode verkeerslicht is gepasseerd en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.760/01
CJIB-nummer
: 215060112
Uitspraak d.d.
: 29 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 8 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat in het beroepschrift bij de kantonrechter duidelijk is geklaagd over de motivering van de beslissing van de officier van justitie. Met de enkele overweging van de kantonrechter dat die beslissing wel voldoende is gemotiveerd wordt deze klacht volgens de gemachtigde miskend.
2. De gemachtigde heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat de officier van justitie de beroepsgronden niet deugdelijk heeft behandeld, nu een begrijpelijke reactie daarop is uitgebleven. De grond van schending van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vindt hij onvoldoende weerlegd met de verwijzing naar artikel 3 van Pro de Politiewet 2012. Daarnaast is toegelicht en met stukken onderbouwd dat het voertuig voor het rode verkeerslicht is gestopt, wat zonder enige motivering van de officier van justitie wordt ontkend.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift - voor zover hier van belang – heeft aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM en dat het voertuig voor het rode verkeerslicht is gestopt. De vermelde snelheid op de tweede foto is hetzelfde als die op de eerste foto en aldus van voor het remmen. Bijgevoegd is een e-mailwisseling, waarin de betrokkene aangeeft op 28 februari 2018 ter plaatse tweemaal een noodstop te hebben gemaakt en de remincidenten van die dag opvraagt bij zijn verzekering. Uit de door de verzekering verstrekte informatie volgt dat onder meer op 28 februari 2018 om 06:52 uur te hard is geremd.
4. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter in dit geval op basis van de algemene overweging dat - kort gezegd - niet alle gronden expliciet en uitgebreid behandeld hoeven te worden, mocht concluderen dat de officier van justitie deugdelijk is gemotiveerd. De officier van justitie is op alle in administratief beroep aangevoerde gronden ingegaan en heeft ook ten aanzien van de onder 3. genoemde gronden aangegeven waarom deze geen doel treffen. Dat de gemachtigde zich niet kan vinden in de door de officier van justitie gegeven reactie, brengt niet mee dat sprake is van een motiveringsgebrek. Aldus hoefde de kantonrechter niet nader toe te lichten waarom de motiveringsklacht niet slaagde. De kantonrechter gaat echter wel ten onrechte ervan uit dat geen sprake is geweest van een inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 20 oktober 2021 (gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2021:9905) moet worden vastgesteld dat de beslissing van de kantonrechter in die zin dus niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit gebrek leent zich voor verbetering van de gronden van de beslissing van de kantonrechter. Het hof zal deze grond alsnog behandelen.
5. Onder verwijzing naar voornoemd arrest van het hof van 20 oktober 2021 wordt de klacht over schending van artikel 8 EVRM Pro verworpen.
6. Het hoger beroep richt zich voor het overige tegen de aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking opgelegde sanctie van € 230,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 februari 2018 om 06:52:00 uur op de Ringbaan Noord in Weert met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De gemachtigde stelt dat niet is komen vast te staan dat de betrokkene het rode verkeerslicht is gepasseerd. De kantonrechter stelt ten onrechte dat uit de tweede foto blijkt dat de betrokkene een afstand van 14,6 meter heeft afgelegd, nu dit nergens uit blijkt. Ook is niet te zien op deze foto dat de betrokkene het verkeerslicht reeds voorbij is. Uit de door de betrokkene overgelegde stukken volgt dat hij ten tijde van de verweten gedraging heeft geremd en de betrokkene verklaart zelf dat hij tot stilstand is gekomen.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,9 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.
(…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd met een goedgekeurd snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een flitspaal.”
9. Verder bevat het dossier twee foto's van de gedraging. Hierop is het voertuig met het onder 6. vermelde kenteken te zien. Het verkeerslicht straalt op dat moment rood licht uit. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig het rechts gelegen puntstuk vrijwel is gepasseerd en op de tweede foto is te zien dat het voertuig het puntstuk in zijn geheel is gepasseerd. Uit de gegevens in de databalk onder de foto’s blijkt dat het verkeerslicht 0,93 seconden rood licht uitstraalde op het moment waarop de eerste foto werd genomen en 2,39 seconden op het moment waarop de tweede foto is genomen. De snelheid van het voertuig op het moment waarop het voertuig de stopstreep passeerde was 36 km/h.
10. De betrokkene heeft in administratief beroep onder meer een afbeelding van de situatie ter plaatse van Google Maps Street View overgelegd. Hierop zijn het beginpunt van het portaal waaraan de verkeerslichten zijn bevestigd en de ligging daarvan ten opzichte van het puntstuk duidelijk te zien.
11. Bij het doortrekken van de laatste onderbroken lijn voor het puntstuk naar het portaal kan de positie van het portaal ten opzichte van het puntstuk worden bepaald. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het voertuig, gelet op de positie daarvan op beide foto's, het rode verkeerslicht aan het portaal is gepasseerd. Ondanks dat de betrokkene heeft afgeremd, is het hem dus niet gelukt om het voertuig nog voor het rode verkeerslicht tot stilstand te brengen. Het verweer van de gemachtigde faalt. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat de juiste feitcode is toegepast.
12. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Het hof zal deze beslissing dan ook bevestigen, zij het met verbetering van gronden vanwege het vastgestelde motiveringsgebrek.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.